Netjes en gezellig

Netjes en gezellig is het Nederlandse binnenhuis. Opgmd staat netjes. Eerst even de kamer doen. Het moet wel een beetje netjes blijven. Het tegendeel van netjes is niet rommelig: het tegendeel van netjes is asociaal.

Vanwaar toch de universaliteit van dit ideaal? Je ziet het als je huizen bezichtigt, en bij de buren, en als je bij wildvreemden aanklopt om een fietspomp: netjes is het overal. Er is 's ochtends stof gezogen. De tafel is afgeruimd. De rommel waar wij nie mogen letten is te verwaarlozen. Gezellig is het hier.

Dat kan niet altijd zo geweest zijn. Eens, lang geleden, waren het alleen de bevoorrechten die in staat waren hun omgeving zelf te kiezen en naar hun hand te zetten. De rest van de mensen had een hol of plek om te schuilen en te slapen. Gekookt, gewassen of gepoept kon daar niet worden, en te zien was er niks. Het interieur in de nieuwe tijd, dat samenstel van bedden en bijzettafels, kleedjes en aanrecht, behang, tafel en stoelen, dient een dubbel doel. Er moet in geleefd worden, maar het moet ook toonbaar zijn en representatief. Het is binnenkant en buitenkant tegelijk.

Voor je het weet zit Norbert Elias in de kamer. Wie zijn omgeving beheerst, geeft er blijk van zichzelf te beheersen. Bovendien beheerst hij dan tenminste iets. Daarom willen mensen die verder geheel machteloos zijn (en wie is dat niet) graag in een opgeruimd huisje wonen, teken dat zij niet van de straat zijn.

Zou het feit dat huiselijke netheid en gezelligheid vooral vrouwelijke idealen zijn, zelfs te maken hebben met het feit dat vrouwen vanouds nog minder dan mannen in staat zijn om wat dan ook voor elkaar te krijgen in de boze buitenwereld? Het is wel zeker dat de verbreiding van die burgerlijke idealen door heel het volk, die zo'n beetje in de laatste eeuw haar beslag heeft gekregen, een zaak van vrouwen is geweest. Afgezien van een enkele verlichte medicus of schoolmeester waren hetaressen in de huishoudkunde, maatschappelijk werksters, schrijfsters in damesbladen die van deur naar deur gingen om Nederland netjes en gezellig te maken, alsof het grote schoonmaak was. Leg een fleurig kleed op tafel, zorg voor variatie. Was meteen af wat je gebruikt hebt, verwijder vlekken direct. Bedden goed luchten, stof afnemen, de boel aan kant. Wat je nu doet hoef je later niet te doen.

Vrouwen zijn, als je he bekijkt, burgerlijker dan mannen. Er was dan ook nog een geheime, vrouwelijke reden voor alle inspanningen om het netjes en gezellig te maken in de Hollandse huizen. Een bejaarde opvoedster verklapte het mij: als het thuis gezellig is, vlucht vader niet naar de kroeg. Dat beeld van verloedering, in de negentiende eeuw nog gewoon, moest worden bezworen.

Toch blijft het een wonder dat vrijwel niemand zich heeft kunnen onttrekken aan het grote opruimen. Er is heel veel zelfvertrouwen, onverschilligheid of defaitisme nodig o een bende te wonen.

Dat is ook te zien op foto's die het Amsterdamsee Gemeentearchief kort geleden erfde van de gemeentelijke Bouw- en Woningdienst. Het zijn foto's, voornamelijk uit de eerste helft van deze eeuw, van huizen, straten, nieuwe woonblokken in de Pijp, maar ook van interieurs en krotwoningen, de laatste natuurlijk om wantoestanden vast te leggen.

Ten behoeve van hen die bezig waren overal in Nederland definitief de boel aan kant te krijgen.

Maar zelfs in krotten was de boel vaak aardig aant. Zoals in een kelderwoning aan de Zeedijk, waar het daglicht alleen binnenkomt als de buitendeur bovenaan het trapje open gaat. Er staan twee vrouwen in vlekkerige schorten. Het is 1913. Op de vloer liggen, toegegeven, wat propjes. Op de trap zit een klein, haveloos, leeftijdsloos kind. Maar op het dressoir staan pullen en aan de muur hangen ingelijste prenten - een portret van een dame, en het bekende engeltje van Rafael. Waarom zou iemand die in een bedompte kelder woont, nog de schijn van een bourgeois-interieur ophouden? En waarom niet? Juist zij wil dat misschien, juist iemand die ook door sociale hervormers toen nog meedogenloos werd aangeduid als asociaal.

Waarlijk 'nette' interieurs zijn weinig gefotografeerd door de ambtenaren van de Bouw- en Woningdienst. Die stonden in degelijke huizen en er was niets aan te verbeteren. Als je ze treft, zijn het vaak instellingen, zoals oudemannenhuizen, en dan is het vooral hun soliditeit - zware meubels, alles onver(oestbaar - die een schril contrast vormt met de precaire net-niet-netheid van de armen. Een echt burgerlijk interieur, misschien uit 1930, met een vaasje bloemen op tafel en een radiotoestel op een kast, waar slechts een smalle wandplank met afhangend gordijn verraadt dat hier 's nachts ook een bed is om op te slapen, straalt maar een ding uit: alles onder controle!

Het zeldzaamst in de fotocollectie zijn interieurs waar elke gedachte aan opruimen is verdwenen. is er, aan de Korte Koningsstraat, uit 1934. Een ambtenaar heeft er walgend bij geschreven dat het een 'grote en vervuilde bende' is. De rommel is inderdaad zo groot dat je eerder aan een opslagplaats of een verhuizing denkt dan aan een eventuele bewoner. Toch staat er een rest melk in een beugelfles op tafel, naast een papiertje waarin worst of kaas kan hebben gezeten. Geen schimmel; een bewoonde puinhoop. Alleen op de schoorsteenmantel, waaraan twee eigentijds gedessineerde biezen van ldoek nog wat fleur geven, is half een rij potjes en pulletjes te zien. Het is bijna niets, maar hun boodschap is duidelijk. Eens is het ook hier netjes en gezellig geweest.