Na hun 31ste moeten vrouwen vaker vrijen om kind te krijgen

De vruchtbaarheid van vrouwen neemt in de loop van de jaren af. Dat weet of vermoedt iedereen wel. Maar wanneer begint de afname en hoe snel gaat het? Hoe lang kun je het krijgen van kinderen uitstellen, met behoud van een redelijke kans op een gezond kind? Epidemiologe B.M. van Noord-Zaadstra van het TNO-instituut voor Preventieve Gezondheidszorg in Leiden bewerkte de gegevens van 751 vrouwen die in twee Nederlandse vruchtbaarheidsklin met donorinseminatie een kind probeerden te krijgen. Bij oudere vrouwen waren veel meer inseminaties nodig. Na twaalf behandelingen was 54% van de vrouwen boven de 31 zwanger tegenover 74% van de vrouwen tussen de 20 en 31. Na 24 behandelingen was het verschil kleiner geworden: 75% zwanger boven de 31; 85% bij vrouwen tussen de 20 en 31 jaar.

Boven de 31 blijft er dus een redelijke kans op succes op zwangerschap, als de pogingen maar worden volgehouden. Vrouwn 35 hebben een tweemaal zo kleine kans om na een seksueel contact tijdens het vruchtbaarste moment van de cyclus zwanger te worden als vrouwen van 25. (British Medical Journal, 8 juni) Van Noord-Zaadstra gebruikte de patientgegevens van vrouwen die nooit eerder een kind hadden gehad, die niet eerder kunstmatige inseminatie hadden ondergaan en waarvan de echtgenoot levenloos sperma in zijn ejaculaat had. Daarmee werden twee belangrijke storende variabelen uitgeschakeld. Oudere mensen vrijen niet zo vaak, wat de kans op een kindal vermindert, en het uitblijven van een kind kan ook door verminderde vruchtbaarheid van de man worden veroorzaakt. Bij donorinseminatie komen de vrouwen naar de kliniek op het beste moment in hun ovulatiecyclus (bijgehouden met de temperatuurmethode) en het sperma is afkomstig van mannen die al eens vader zijn geworden.

Het verband tussen verminderde vruchtbaarheid en leeftijd konden de onderzoekers het best beschrijven met een mathematisch model waarbij de vruchtbaarheit een bepaalde leeftijd constant bleef en daarna ging dalen. Een model dat uitging van een constante afname was niet in overeenstemming met de resultaten. De afname begon bij het 31-ste levensjaren.

Behalve de verlaagde kans zwanger te worden, mislukte de zwangerschap ook vaker bij vrouwen boven de 31. Van de vrouwen beneden de 30 kreeg 89% een gezond kind als ze eenmaal zwanger waren. Daarna daalde die kans et 3,5% per jaar. In de meeste gevallen ging het mis door een spontane abortus. Bij vrouwen boven 34 eindigde 25% van de zwangerschappen op die manier. Het aantal doodgeboren kinderen en kinderen met een aangeboren afwijking was te laag om er betrouwbare uitspraken over te kunnen doen.

Opvallend was tenslotte het verschil tussen de twee klinieken waarvan de gegevens werden gebruikt. In kliniek A werd uiteindelijk 71% van de vrouwen zwanger, in kliniek B 78%, terwijl de vrouwen in kliniek B gemiddeld 1,5 jaar ouder waren. De onderzoekers suggereren een verband met het ge(JHk van het ovulatiestimulerende hormoonpreparaat climofeen dat in kliniek A vaker werd voorgeschreven dan in kliniek B. Zou dat bij normaal vruchtbare vrouwen de vruchtbaarheid verminderen? De vraag wordt wel gesteld, maar helaas niet door verdere analyse van de patientgegevens beantwoord. Evenmin staat in het artikel in welke Nederlandse steden de klinieken A en B liggen.