Kinnesinne

Frits Abrahams' stukje over Jacqueline de Gier (NRC Handelsblad, 17 juni) is wederom een bewijs voor twee in het oog springende fenomenen in de Nederlandse journalistiek. Ten eerste constateren wij dat bureaujournalisten vaak jaloers zijn op reizende journalisten en- of schrijvers. Ten tweede is de Nederlandse televisiekritiek sinds Komrij nog steeds lamgeslagen.

Het bevalt Abrahams niet dat De Gier wordt aangekondigd als schrijfster. Veel journalisten schrijven echter boeken, en veel schrijvers schrijven in kranten. Men moet niet al te dogmatisch doen over een dergelijke scheidslijn. Men wekt slechts de indruk dat men als mislukt schrijver 'maar' de journalistiek is ingegaan.

Het programma 'Zomergasten' heeft een degelijke formule, maar het kan natuurlijk niet iedere week feest zijn met Jan Wolkers. Maar mevrouw De Gier is wel degelijk een interessante persoon. Iedereen die puur op grond van karakter het ret van een man als Aoun weet af te dwingen is per definitie interessant. Mogen haar 'filosofietjes' dan simpel klinken, wat is er tegen eenvoud. Het is altijd beter dan het intellectuele gedraai waarmee een man als Finkensieper zijn wangedrag meent te kunnen goedpraten.

Ik weet niet of Abrahams verder gereisd is dan het persoonlijke gevang waar voornoemde pedagoog huist. Verder dan De Gier is hij zeker niet gekomen. Die Maedonische jalist zal inderdaad tot de conclusie komen dat het motto 'doe maar gewoon dan doe je gek genoeg' ons Nederlanders op het lijf geschreven staat. Pas als Jan Wolkers voorbij komt springen we allemaal in de houding.