Het onderwijs in de hoek

HET PARLEMENT IS MOE. Na meer dan twintig jaar soebatten over het voortgezet onderwijs is het mooi geweest.

Ook heeft de politieke verveling toegeslagen. Vanaf 1993 mag het onderwijs gaan basisvormen. De politiek heeft, als tenminste de Eerste Kamer straks ook nog akkoord gaat, zijn portie aan de school gegeven.

In de afgelopen weken is de Tweede Kamer meer met zichzelf bezig geweest dan met het scheppen van een kansrijke onderwijshervorming.

Het argument dat de scholen niet meer konden wachten en dat de politiek eindelijk knopen moest doorhakken, verwierf het hoogste gezag. De merites van de plannen zelf stonden nauwelijks meer ter discussie, maar het politieke primaat des te meer, zoals bleek uit de discussie over het belangrijkste wijzigingsvoorstel van het CDA.

Het oordeel over de inhoud van de plannen zelf kan niet anders dan negatief uitvallen. Natuurlijk, met intens speurwerk in de onderwijskundige rijstebrij die over de scholen wordt uitgestort, valt nog wel een heel enkel pareltje te ontdekken. Zo kan het vak techniek wellicht, ooit, op de lange termijn, bijdragen tot een kentering in de wat gewrongen houding die velen in ons land tegenover technologie innemen. Ook de samenhangende kwaliteitseisen voor het basisonderwijs, waarvan de betekenis de afgelopen jaren sterk onderbelicht is gebleven, mogen tot de pluspunten worden gerekend. Ten slotte brengt het plan Nederland wat dichter bij Europa. Sommige buren kennen eveneens een onderwijssysteem dat iets van een basisvorming weg heeft.

TOCH HANGEN de inspanningen die het onderwijs straks moet leveren en het te verwachten resultaat tezeer uit balans. Autonomie van scholen wordt een twijfelachtig begrip voor wie bedenkt wat er allemaal nodig is om iets van de bedoelingen achter de wet zichtbaar te maken.

Vorming van brede scholengemeenschappen, nascholing van leerkrachten, verandering in de schoolorganisatie zijn nog maar enkele van de taken die de scholen te wachten staan.

De onderwijskundige en sociale winst is bij voorbaat uiterst twijfelachtig. Daarvoor is het compromiskarakter van de plannen te groot. De kwaliteitsvoorschriften in het voortgezet onderwijs zijn te globaal en bieden te veel mogelijkheden voor afwijkingen om de belofte van verhoging van het onderwijspeil gestand te doen. Ervaringen met vergelijkbare voorschriften voor de pedagogische academies tot nu toe stemmen niet hoopvol. Ook zijn de voorstellen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid te zeer uitgehold om ook maar in de buurt van verbetering van onderwijskansen uit te komen.

Dit alles maakt dat het toch al geringe enthousiasme bij de uitvoerders van straks er niet groter op wordt. Opnieuw dreigen leraren te worden gedegradeerd tot ambtenaren die regels uitvoeren die ze zelf niet hebben bedacht noch hebben gewild. Alle warme woorden over aandacht voor het vakmanschap van de onderwijzer en de creativiteit van het beroep kunnen maar beter snel worden ingeslikt.

Om in dit opzicht nog enigzins geloofwaardig te blijven past de bewindslieden van onderwijs slechts veel intellectueel geduld en bestuurlijke terughoudendheid. Anders vervallen ze opnieuw in de oude fout het onderwijs te willen voorschrijven.

DE TALRIJKE BELANGENGROEPEN die het voorgezet onderwijs kent zijn niet in staat gebleken op beslissende momenten afstand te doen van hun prive-verlangens. De politiek heeft anderzijds teveel getracht in het gevlij te komen bij bepaalde belangengroepen. Dat bijvoorbeeld verzorging in het verplichte kernprogramma is opgenomen, is mooi voor de lobbyisten. Maar voor het onderwijs als geheel is dat niet een verbetering waar de samenleving om vraagt.