Grotere concurrentiekracht van Nederland, Japan sterkst

ROTTERDAM, 20 JUNI. Japan blijft de onbetwiste nummer een op de wereldranglijst van economische concurrentiekracht, op enige afstand gevolgd door de Verenigde Staten, Duitsland en Zwitserland. Nederland is opgerukt van de tiende naar de zevende plaats.

Dit blijkt uit het vandaag gepubliceerde World Competitiveness Report 1991van het World Economic Forum (bekend van de jaarlijkse managersconferentie in Davos) en het Institute for Management Development (IMD) in Lausanne. In de studie zijn 34 landen onderzocht op hun aantrekkelijkheid voor ondernemingen.

De ranglijst is opgesteld aan de hand van acht factoren: de kracht van de nationale economie, overheidsbeleid, internationalisatie, financiele sector, infrastructuur, management, wetenschap en technologie en menselijke hulpbronnen. De factoren zijn weer onderverdeeld in ruim driehonderd criteria. Deze gegevens zijn aangevuld met een enquete onder ondernemers over hun vertrouwen in een land.

Japan blinkt vooral uit in technologie en produktiviteit. Het land is nummer een in automatisering (uitgedrukt in het aantal industriele robots) en bovendien staan werknemers daarvoor open. Japan is vooral sterk is de praktische toepassing van basistechnologie, niet alleen in massaproduktie, maar ook in flexibilisering van de produktie. De Japanners hebben de grootste voorsprong op het gebied van management, kracht van de nationale economie en wetenschap en technologie. Het land blijft opvallend achter bij de factor 'infrastructuur' (vijfde op de ranglijst), deels veroorzaakt door het gebrek aan eigen natuurlijke hulpbronnen. Criteria waarop Japan slecht scoort zijn onder meer de geringe deelname van vrouwen in het arbeidsproces, protectionistisch overheidsbeleid, kosten van levensonderhoud, buitenlandse investeringen, toegang tot lokale kapitaalmarkten en overheidsinvesteringen in telecommunicatie.

De Verenigde Staten zijn Zwitserland gepasseerd en staan nu op de tweede plaats. De opstellers van het rapport schrijven de stijging van de VS voor een deel toe aan zwakkere economische prestaties van Zwitserland en Duitsland. Het Amerikaanse overheidsbeleid is volgens het rapport gunstiger voor ondernemers dan het Japanse. Ondanks beperkingen als gevolg van het overheids- en betalingsbalanstekort scoort de VS hoog als het gaat om de vrijheid van ondernemers om marktgerichte beslissingen te nemen. De Verenigde Staten zijn ook nummer een op het gebied van infrastructuur, waaronder de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen, transport en informatiesystemen. Als gevolg van de recessie hebben de ondernemers evenwel wat minder vertrouwen in de toekomst. De VS liggen hier op een vierde plaats.

Duitsland is Zwitserland gepasseerd op de ranglijst. Ondanks de kracht van de Duitse economie lijken de kosten van de eenwording de concurrentiekracht op de korte termijn te beperken. Hulpbronnen worden in deze fase eerder gericht op economische, sociale en politieke herstructurering. Het vertrouwen van het bedrijfsleven in de Duitse economie blijft hoog.

De teruggang van Zwitserland wordt verklaard uit de voor dit land hoge inflatie. Bovendien is de aantrekkelijkheid van Zwitserland voor buitenlands kapitaal aan erosie onderhevig. Verder wordt de Zwitserse economie gehandicapt door een tekort aan gekwalificeerd personeel.

Oostenrijk maakte een opvallende sprong van de elfde naar de zesde plaats. Internationale ondernemingen blijken het land als een aantrekkelijke uitvalsbasis naar Oost-Europa te beschouwen. Ook de beschikbaarheid van goed gekwalificeerde en gemotiveerde arbeidskrachten alsmede een sterke binnenlandse economie dragen bij aan de hoge score.

Nederland is op de ranglijst de Scandinavische landen gepasseerd. Belangrijke positieve factor is de internationale gerichtheid van de economie. Het rapport noemt ook de beschikbaarheid van risico-kapitaal. Nederland is op dit punt derde na Engeland en de VS.

Ons land scoort ook goed met de lage inflatie en de arbeidskosten per eenheid produkt. Nederland doet het minder goed als het gaat om investeringen in onderzoek en ontwikkeling, het aantal technici en wetenschappers in de industrie, de hoogte van de belastingen, diversificatie van de export, overheidsinvesteringen in telecommunicatie, de groei van het aantal beschikbare arbeidskrachten en deelname van vrouwen op de arbeidsmarkt.