Gerijpte Ashkenazy spannend en vol vaart

Serie 'Coryfeeen aan het klavier'. Slotconcert door Vladimir Ashkenazy. Programma: Beethoven, Sonates op. 110 en 111. Brahms, Rapsodieen op. 79 en Handelvariaties. Gehoord: 19-6 in de Grote Doelenzaal te Rotterdam.

Klein en fier, in samengebalde energie herinnerend aan Arthur Rubinstein, betrad Vladimir Ashkenazy tijdens zijn korte oponthoud in Nederland het Rotterdamse Doelenpodium een recital dat alleen al in de samenstelling van het programma de grandeur van de meesterpianist verried. Geen epaterende virtuosenstukken noch enig ander uiterlijk vertoon, maar drie machtige bouwwerken uit de pianoliteratuur waarbij het volledig aankomt op mentale beheersing en spelconcentratie: Beethovens beide laatste Pianosonates en de Handelvariaties van Brahms, voorafgegaan door diens Rapsodieenop. 79.

Ashkenazy's wereldcarriere heet te zijn begonnen toen hij in 1962 het Tsjaikovsky-concours in zijn geboorteland won, maar zes jaar eerder, amper negentien jaar oud, werd hij al eerste laureaat van het Koningin Elisabeth Concours in Brussel.

Hij behoort tot die zeldzame interpreten die van jongs af aan alles schijnen te kunnen, behalve dat ook zij zich moeten onderwerpen aan het geleidelijke rijpingsproces dat uiteindelijk toegang biedt tot de diepste essentie van wat in klanken is vervat. Beethoen eist zulk een groei, zeker voor de laatste sonates, en ook Ashkenazy heeft daarmee geworsteld. De sublimatie waartoe dat gevecht heeft geleid, legde hij gisteren in indrukwekkende vertolkingen vast na slechts een korte verkenning van instrument en akoestiek in het eerste deel van Opus 110. De pianist kreeg de vleugel, die vrij scherp kan klinken en soms tot onverhoedse uitschieters aanleiding geeft, in de loop van het concert volledig onder controle, zozeer zelfs dat Schumanns Traumerei, als kleine toegift gespeeld, uitgroeide tot een wonder van lieflijke subtiliteit. De akoestiek, ook in een uitverkochte zaal te galmend voor een enkele vleugel, bleef Ashkenazy met betrekking tot het pedaalgebruik enigszins parten spelen.

Treffend in Beethoven zowel als in Brahms was Ashkenazy's gevoel voor muzikale architectuur. Het is deze eigenschap trouwens ook die hem steeds sterker in de richting van de orkestdiH)tie heeft gedreven.

Vorm en koloriet biologeren hem en dat levert intens spannende vertolkingen op. De tomeloze vaart in Brahms' Variaties bijvoorbeeld, waarin geen adempauze de concentratie deed verslappen. Of de prachtige profilering van de fuga's uit Opus 110 van Beethoven en aan het slot van Brahms. Dat voor dit alles tevens een fabelachtige techniek nodig is spreekt vanzelf, maar Ashkenazy heeft daar niet expliciet de aandacht op gevestigd. Net als drie jaleden, toen hij in Rotterdam excelleerde in Beethovens Vierde pianoconcert betoonde hij zich de integere kunstenaar die het slechts is te doen om het pure en zuivere in de muziek.