Geloof speelde lange tijd rol bij opvolging in rechtscollege

DEN HAAG, 20 JUNI. Het Kamerlid Van der Burg (CDA) wil graag weten “wat voor vlees we in de kuip hebben” als hij het lijstje met zes kandidaten leest dat de Hoge Raad bij vacatures aan de Kamer pleegt te sturen, zo werd gisteren bekend.

Dinsdag kreeg hij steun van zijn fractie voor de opvatting dat het tijd wordt voor een meer inhoudelijke toetsing omdat er zoveel raadsheren met een “nieuw-liberale levensovertuiging” (lees: D66) zouden worden aangesteld. Hij wil onder meer weten welke geloofsovertuiging de kandidaat heeft, want “sinds de ontzuiling weten we dat niet meer automatisch.” Als de Kamer zich inderdaad meer invloed toemeet bij de benoeming van raadsheren dan zou dat een terugkeer zijn naar de praktijk van voor de Tweede Wereldoorlog.

De Hoge Raad is het hoogste rechtscollege waar 32 leden, verdeeld over vijf kamers, in het zogenoemde cassatieberoep voor de eenheid van rechtspraak in Nederland zorgen.

Van 1838 tot 1960 hielden de Kamer en de Hoge Raad scherp in de gaten welke religieuze overtuiging aspirant raadsheren waren toegedaan.

Vooral bij het aantal katholieke raadsheren werd goed opgelet. Kwam er een 'katholieke plaats' open, dan werd die in de regel alleen door een katholiek vervuld. De eerste Hoge Raad in 1838 telde slechts een katholiek onder de vijftien leden. Tot 1883 waren er meestal twee katholieken raadsheer. Tot 1911 waren het er drie; tot 1940 waren het er vier. In de naoorlogse periode bleef het aantal van vier stabiel, tot 1960. Steeds volgden katholieke raadsheren elkaar op. In 1969 werden het er vijf.

Maar daarna “is van een consequent beleid niet veel meer te bespeuren”, aldus dr. P.J. van Koppen en dr. J. ten Kate in de dissertatie 'Tot raadsheer benoemd', een overzicht van anderhalve eeuw benoemingen in de Hoge Raad tot 1987. Voor andere religieuze groeperingen werd geen toewijzingsbeleid gevoerd. Vrijwel alle denominaties zijn ooit vertegenwoordigd geweest in de Hoge Raad, zo staat vast, inclusief de joodse. Bij het openbaar ministerie bij de Hoge Raad is tot ver in de jaren zestig ook steeds een toewijzingsbeleid voor katholieken in stand gehouden - het ging daarbij om een zetel. Na 1966 is daarvan afgeweken en werden er meer katholieken benoemd.

Het is na de Tweede Wereldoorlog niet meer gebruikelijk dat de Kamer zich inhoudelijk met de selectie bemoeit. Het is sinds 1945 twee keer voorgekomen dat de Kamer afweek van de aanbeveling van de Hoge Raad.

In 1955 werd de eerst aanbevolene, J. Hulsmann, gepasseerd ten gunste van de nummer drie op de voordracht, B. Kazemier.

. Pag. 3:

Aanstelling feitelijk door cooptatie

In 1975 accepteerde de Kamer niet dat de Hoge Raad mevrouw A. Van den Blink als zesde aanbeval - op de voordracht aan de Kroon werd zij nummer twee, een politiek signaal aan de Hoge Raad dat er meer vrouwen moesten worden aanbevolen.

De Kamer debatteert nooit over een voordracht. De Kroon volgt de voordracht altijd. Solliciteren is niet mogelijk, zodat aanstelling feitelijk geschiedt door cooptatie bij de Hoge Raad. De president stuurt bij elke vacature een lijstje met zes kandidaten, waarvan de Kamer de eerste drie op de voordracht plaatst. Daarna benoemt de Kroon de eerst geplaatste. Bij een volgende vacature schuiven de meeste personen van de oude lijst een plaatsje op, maar regel is dat niet.

Wil de Hoge Raad een begaafd jurist alleen een compliment maken voor zijn werk, dan verschijnt diens naam op een onverkiesbare plaats. De aanbeveling fungeert zo als informele erelijst van de Nederlandse juristenstand.

Voor 1940 kwamen politieke twisten over benoemingen van raadsheren met grote regelmaat voor, vooral omdat toen werd gerecruteerd uit andere kringen dan tegenwoordig. Oud-Kamerleden kwamen in aanmerking, evenals kantonrechters en (louter) studievrienden - in het algemeen kwamen raadsheren voort uit de adel en het patriciaat. Ook regionale herkomst speelde lang een rol. Na de oorlog verschoof langzaam maar zeker het accent naar vakmanschap. Maar het grote aantal Leidse juristen bij de Hoge Raad wordt niet door iedereen gezien als resultaat van een evenwichtige selectie.

Het is sinds 1852 niet meer voorgekomen dat de Kroon de voordracht van de Kamer negeert. Het beroemdste geval deed zich voor in 1851 toen de Kamer, ook buiten de wens van de Hoge Raad, de Leidse advocaat N.

Olivier op de voordracht plaatste. Deze stond bekend als Thorbeckiaan en viel daarom niet in de smaak bij de koning - hij benoemde nummer twee op de lijst, J. Crans. Tot 1920 legde de Kamer zelf met grote regelmaat de aanbeveling van de Hoge Raad naast zich neer: de aanbevolen volgorde werd niet overgenomen en soms werden niet-aanbevolen kandidaten toch voorgedragen. Tot 1887 negeerde de Kamer in de helft van de gevallen de eerstaanbevolene door de Hoge Raad. Tot 1917 gebeurde dat nog bij negen van de zevenentwintig benoemingsprocedures.

Maar daarna werd de Kamer volgzaam en, volgens de onderzoekers Van Koppen en Ten Kate, nam tegelijkertijd het “duidelijke politiek profiel van de raadsheren” af. In tegenstelling tot de benoeming van burgemeesters, commissarissen van de koningin en staatsraden wordt bij de samenstelling van de Hoge Raad door de Kamer kennelijk niet meer gestreefd naar een politieke afspiegeling. De reden? De onderzoekers: “Dat kon wel eens te maken hebben met de ideologie van de rechtsstaat, of 'the rule of law', waarin de politieke implicaties van rechterlijke beslissingen, zeker als dat om het hoogste rechtscollege gaat, angstvallig worden weggedrukt.”