Discussie over de WAO kan en moet 'minder tobberig'

“Minder tobberig!” Dat was de oproep van premier Lubbers bij het afscheid van VNO-voorzitter Van Lede, waar onvermijdelijk ook de WAO ter sprake kwam. Nu is de discussie daarover nogal problematisch, overigens mede getoonzet door die andere uitspraak: “Nederland is ziek!” Een positief getint betoog over dit zo complexe vraagstuk zal dan ook wat vreemd aandoen: jarenlang onderstreepten deskundigen immers juist de ernst van de situatie, om de politiek te interesseren voor preventief beleid. Nu het debat echter als vanouds weer de repressieve kant op lijkt te gaan - beperking van uitkeringsrechten - wordt het inderdaad tijd voor een minder-tobberige bijdrage.

Voor wie de ijle vlucht van de WAO-discussie tracht te volgen, is het amper voorstelbaar dat deze pas vorig voorjaar goed losbarstte, met de voorspelling van de Sociale Verzekeringsraad van een miljoen WAO-ers in 1994 en het werkgeversverzet tegen de verplichting vijf procent gehandicapten in dienst te nemen. Uiteenlopende standpunten daarover van bewindslieden leidden toen zelfs tot Kamervragen over de eenheid van kabinetsbeleid. De discussie is op de politieke agenda gebleven sinds de verrassingsaanval van de werkgevers op de WAO bij het voorjaarsoverleg 1990. De vakbeweging moest alle zeilen bijzetten om in het najaar tot afspraken te komen die overeenkwamen met de besluiten van de Stichting van de Arbeid die door het kabinet waren overgenomen. Afspraken die een markant moment vormen in de sociale-zekerheidsdiscussie, wegens hun gerichtheid op werkelijke preventie, op goed sociaal beleid, op goede arbeidsomstandigheden, op adequate sociaal-medische begeleiding bij verzuim, ook door het bedrijf en op het benutten van elke rentegratiekans om onnodig afglijden naar de WAO te voorkomen. Financiele prikkels complementeerden dit begin van een fundamentele aanpak, dat in recordtijd via de Sociale Verzekeringsraad voor parlementaire behandeling gereedgemaakt werd. Of, nog beter, op tot nu toe ongekende schaal al per CAO is afgesproken - al dan niet na stakingen.

Evenmin tobberig, maar in het huidige debat volstrekt onderbelicht zijn de volgende feiten: de WAO-uitkeringen besloegen in 1983 4,9 procent van het Nationaal Inkomen, tegen 4,1 procent in 1990; van 1985 tot 1990 groeide de beroepsbevolking met 20 procent, het aantal WAO'ers met 16 terwijl de kosten per verzekerde daalden van (f) 3.000 naar (f) 2.770. Tegenover 2,4 procent nieuwe WAO-toetreders in 1980 staat 1,5 procent in 1989. En de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) meldt steeds minder volledig-afgekeurden en steeds meer rentegraties. Kortom, cijfers die geenszins medische metaforen rechtvaardigen als die van fractieleider Brinkman over een patient die bij een operatie een acute bloeding krijgt, wat tot drastische maatregelen noopt. Het is verwonderlijk zulke betogen te horen van verstandige mensen, zeker als ze medeverantwoordelijk zijn voor eerder beleid. Juist zij horen te weten dat er eerder sprake is van een chronische, jarenlang (politiek) verwaarloosde patient, die revalidatie behoeft. Het gaat niet aan hem nu opeens allerlei ingrepen op te dringen, begeleid door het bekende blaming the victim: aanstellerij, niet echt ziek, lui in de hangmat. Alsof niet allang uit onderzoek bekend is dat de meeste WAO'ers graag weer aan de slag willen, mits er passend werk is. Bovendien, de werknemers betalen de WAO-premie. Hun afwijzing van drastische stelselwijzigingen verdient dan ook net zoveel begrip als de werkgeversbezwaren tegen de WAGW, de Wet arbeid gehandicapte werknemers.

DENKPAUZE

Is het al met al geen wijsheid om de besluitvorming te concentreren op aanscherping, voortgangscontrole en evaluatie van de najaarsafspraken, en verder even een denkpauze in te lassen? Dat kan ondoordachte besluiten voorkomen in de riskante haastprocedure van SER-advisering en kabinetsbeslissingen in juli. De stelselherziening van 1986 mag als waarschuwing gelden: jaren voorbereid, maar niet het beoogde resultaat, vooral wegens onjuiste prognoses. En wie garandeert dat nu niet hetzelfde gebeurt - zoals men vroeger wel bleef aderlaten zonder dat de patient echt opknapte.

Maar een time-out dient vooral om met spoed een samenhangend, breedgedragen totaalplan uit te werken om het probleem bij de bron aan te pakken, in samenspraak met alle betrokkenen, profiterend van het alom sterk toegenomen besef dat lapmiddelen niet meer helpen, en van de kennis, ideeen en vele ontwikkelingen in het veld. Enkele voorbeelden: bij Sociale Zaken is het thema allang niet meer voorbehouden aan de afdeling sociale zekerheid, maar ook aan die van arbeidsomstandigheden (Arbo-wet, Arbeidsinspectie), en voorts aan ministeries als die van onderwijs en WVC. Dat laatste kan een welkom 'volksgezondheidstegenwicht' bieden in het eenzijdig financieel-economische debat.

Ook medici mengen zich daar gelukkig steeds meer in: de verzekeringsartsen met hun rapport Verzuimpreventie, vol aanbevelingen aan overheid, sociale partners en collegae; de bedrijfsartsen met hun plan voor een arts voor arbeid en gezondheid.

Bedrijfsgezondheidsdiensten en ook steeds meer bedrijfsverenigingen ontwikkelen preventieve werkwijzen, evenals de RIAGGS. Elders in de gezondheidszorg groeit eveneens het besef dat er nog veel te doen valt: bekorting van wachttijden, betere samenwerking met genoemde artsen en het verwerven van meer kennis terzake. En het is veelbetekenend dat de beroepsorganisatie van artsen, de KNMG, de niet-vrijblijvende uitdaging van staatssecretaris Simons heeft durven aannemen om dergelijke verbeteringen uit te werken, samen met de andere betrokkenen, inclusief WAO-organisaties, waar veel onbenutte ervaringsdeskundigheid zit. Ook de wetenschap draagt bij met steeds meer onderzoek en dissertaties, terwijl uit de moderne 'verzuimliteratuur' steeds duidelijker wordt hoe in ondernemingen een effectief preventief beleid gestalte kan krijgen: een hoofdrol voor het lijnmanagement, mits goed getraind en gesteund door deskundigen en leiding; een belangrijke inbreng van ondernemingsraden en een goede afbakening van verantwoordelijkheden, om afschuiven te voorkomen.

SOCIALE PARTNERS

Daarmee bereiken we het hart van de problematiek: de positie en invloed van werkgevers en werknemers. De laatsten hebben een lange weg afgelegd van 'ziekteverzuim? Een werkgeversprobleem' naar het besef dat onnodig (lang) in de ziektewet zitten een groot risico voor werknemers inhoudt om uit het arbeidsproces te raken. Op basis daarvan heeft de FNV met succes veel voorstellen ingebracht in landelijk overleg en CAO-onderhandelingen. Bij werkgevers groeit het besef dat men zuiniger moet zijn op personeel, wegensontgroening, vergrijzing en kostbare opleidingen. Diverse bedrijven met een laag verzuim kunnen een voorbeeld zijn voor de talrijke die hun beleid terzake willen verbeteren. Ook het aantal gezamenlijke bedrijfstakinitiatieven groeit, zoals in de (land)bouw, het vervoer en de metaal: daar bleek in een experiment met bovengenoemd beleid het verzuim in een jaar met 20 procent te dalen!

Fundamenteler is de erkenning dat omwille van een hoge arbeidsproduktiviteit jarenlang minder produktieve werknemers zijn uitgestoten, zoals de nieuwe VNO-voorzitter Rinnooy Kan bij zijn aantreden nog verwoordde. De noodzakelijke heropname van WAO'ers in het arbeidsproces zal volgens hem dan ook leiden tot produktiviteitsverlies, wat weer gecompenseerd moet worden door 'vernieuwend ondernemen'. Hoewel deze opmerkelijke passage aan de aandacht is ontsnapt, is de op diezelfde dag gebezigde kwalificatie 'minder tobberig' hier zeker van toepassing: het biedt zicht op een veel diepergaander analyse en aanpak van de problematiek, zeker als ook dat andere aspect van stijgende arbeidsproduktiviteit erbij wordt betrokken: de steeds hogere eisen aan werknemers, wat op zich weer de WAO-instroom bevordert.

Verantwoordelijkheid Een uitweg uit deze vicieuze cirkel zoeken kost tijd: wat in jaren scheefgegroeid is, is niet zomaar recht te zetten. En wat let eigenlijk sociale partners, gezien het bovenstaande, die tijd te nemen? Het is allereerst hun probleem en hun geld. Zij besturen de bedrijfsverenigingen, de GMD, de bedrijfsgezondheidszorg. Op het cruciale ondernemingsniveau biedt de Arbo-wet een uitstekend kader voor preventie door werknemers en vooral werkgevers, van wie Rinnooy Kan terecht “in de eerste plaats een voortdurende diepte-investering in menselijk kapitaal, de meest schaarse produktiefactor” verwacht.

En ten slotte hebben zij zich op dit punt niet rijkgerekend door 3,8 miljard aan Tussenbalans-bezuinigingen in te boeken, wat nu de besluitvorming onder een veel te hoge en oneigenlijke druk zet. Pas als elke bij de arbeidsongeschiktheid betrokken partij haar eigen verantwoordelijkheid neemt kan het debat en de praktijk minder tobberig worden.