Dineren met Jonas en de walvis

Tentoonstelling 'Tafelbestekken van ek tot art nouveau'. T-m 18 aug. KB-Galerij, Grote Markt 19, Brussel. Di-zo 11-18u. Cat 300 fr.

Meewarig werd jaren geleden in mijn kennissenkring gesproken over een mevrouw die zo in de war was dat zij het bestek op zijn kop naast de borden dekte. Dat zou wel nooit meer goedkomen, was de algemene opinie en zo is het ook gelopen. Gezien de hedendaagse fastfood-cultuur, zette de oude dame misschien wel een heel logische stap. Gevoel voor beschaving had zij nog wel, maar haar zicht op de functie van bestek was vertroebeldaakt.

Een verwarring tussen functie en vorm zie je ook in het prachtige poedelnaakte Panfiguurtje van ivoor dat tot half augustus keurig opgepoetst op zijn fluitje speelt in de galerij van de Brusselse Kredietbank, het enige etablissement aan de Brusselse Grote Markt waar het verboden is het uitgestalde bestek te gebruiken. Pan, die samen met zijn door wingerd omwoekerde sokkel nauwelijks zeven centimeter hoog is, vormt daar een van de topstukken op een tentoonstelling die is samengesteld uit de rijke bestekverzameling van Jacques Hollander.

Deze zakenman en hoteleigenaar is, zo te zien, bij het samenstellen van zijn grote collectie niet gehinderd door veel historische, laat staan kunsthistorische, kennis maar heeft wel oog voor curiosa. In de vitrines stralen zo'n 300 staaltjes van technisch vernuft en originele vormgeving je toe. Alleen de hele vroege lepels, uit de vijftiende eeuwdaarvoor, en enkele zakelijke, in serie gefabriceerde bestekken in de vitrine van de twintigste eeuw zien eruit of ze zijn gemaakt om voedsel mee te verplaatsen. Alle andere messen, vorken en lepels lijken meer statussymbool dan nuttig. Maar zo zijn veel van deze kunstige voorwerpjes meestal ook bedoeld.

De gewoonte om tafels te dekken met daarop eenvormig bestek in verschillende maten en vormen ontstond pas in de tweede helft van de achttiende eeuw. In de negentiende eeuw worden de tafelbestekken nog uitgebouwd met voor alles wat je bedenken kunt, van olijven en suiker tot ragout en vla, een aparte lepel, mes of vork. Tot die tijd bracht iedere gast zijn persoonlijke bestek mee, vernuftig ingeklapt of in een fraai foudraal dat als een sieraad aan de gordel werd gedragen. Op de sobere Hollandse portretten van deftige burgers uit het begin van de zeventiende eeuw behoren die bestekfoudralen vaak tot de weinige opsmuk: je hebt ze van bewerkt leer, van roggehuid, in kleurig bordJH)werk, hout ingelegd met ivoor, fijn zilver, je zou er hele kunstkamers mee kunnen vullen.

Op de tentoonstelling worden strakke renaissancevormen afgewisseld met allerlei halfdecadente grapjes. Een jachtbestek (circa 1770) is voorzien van hertshoornen heften voorstellende twee herenhoofden die uit een afgeschilferde boomstam puilen. Verder ligt er Jo(het mes) in de walvis (het heft) of een verguld bronzen dolfijnenkop waaruit een hand komt die een heft vasthoudt waaraan het lemmet van het echte mes zit (Duitsland zeventiende eeuw). Aandoenlijk is ook een afgesleten putto die zijn handjes als vijgeblad gebruikt. Daarnaast verzamelde Hollander allerlei gestileerde vormen die niet direct met eten geassocieerd worden: ivoren hanekammen bijvoorbeeld, die ongetwijfeld akelig in de hand liggen, of een mes en vork bekroond met een lier.

De tentoonstelling in Brussel is er een om je bij te vergapen, om van te genieten, om over te filosofereventueel om inspiratie op te doen, maar helaas niet om iets van te leren. Bijschriften (in een boekje) zijn minimaal tot absurd karig. Zelfs de maker of ontwerper wordt in de zeldzame gevallen dat deze bekend is, blijkbaar niet belangrijk genoeg geacht om vermeld te worden. De collectie is echter wel zo origineel dat deze Kredietbanktentoonstelling een tocht naar Brussel waard is, ook voor de gehaaste eters onder ons.