China: economie gedijt ondanks de bejaarde leiders

De macht is in China in handen van oude mannen die het orthodoxe communisme overeind proberen te houden. Het optreden van de hardliners is zo onnatuurlijk, dat het hervormingen zelfs stimuleert. De Chinese economie doet het, ondanks alles, niet slecht.

“Het communistische systeem laat niet met zich knoeien. Je houdt het in zijn geheel overeind of je gooit het geheel overboord. Hervormen en vervolgens als het systeem begint af te brokkelen halverwege ophouden leidt tot eindeloos lapwerk, verwarring en pijn”. Dit zei de Albanese ambassadeur in China onlangs tijdens een diner bij een bevriende collega van een niet-bevriend kapitalistisch land.

China is het schoolvoorbeeld van zo'n situatie. Tien jaar economische hervormingen die sinds 1984 steeds rommeliger verliepen, ontspoorden in 1988 en droegen bij tot de weergaloze crisis die het land in 1989 op zijn grondvesten deed wankelen. Twee jaar hebben bejaarde hardliners en hun jongere knechten verbeten getracht het communistische systeem in zijn orthodoxe vorm te restaureren.

Op politiek en ideologisch gebied gaan die pogingen nog onverminderd door. Verschillende aftandse reactionairen in de leeftijd van 83 tot 88 verschijnen frequent op de televisie om met krakende stem revolutionair nostalgie-theater uit de jaren veertig en vijftig op te voeren. De mensen lachen of draaien de knop om. Op economisch gebied gaat het bejaarde activisme echter zo tegen alle natuurwetten in dat de hervormingen op een aantal fronten hervat en op sommige terreinen zelfs versneld zijn. China speelt bij voorbeeld, dank zij de afbraak van monopolistische staatshandelscorporaties een grotere rol in de wereldhandel dan twee jaar geleden.

Professor Nicholas R. Lardy, een van de leidende Amerikaanse specialisten op het gebied van de Chinese economie zei eind mei op de negentiende handelsconferentie van kuststaten van de Stille Oceaan in Peking dat China het enige land van de nog bestaande en voormalige socialistische wereld is dat een belangrijke medespeler in de wereldeconomie is geworden.

Het Chinese handelsvolume bedroeg in 1990 133 miljard dollar, hetgeen China de dertiende handelsmogendheid ter wereld maakte - tegen nummer 32 in 1978.

Lardy zegt dat geen enkel Oost-Europees land, en de Sovjet-Unie al helemaal niet, in de nabije toekomst in China's voetsporen kan treden.

De Sovjet-Unie is weliswaar qua volume de achtste handelsmogendheid (Nederland is nummer negen), maar zij exporteert hoofdzakelijk grondstoffen, goud, olie en gas, terwijl China in navolging van Japan en de Oost-Aziatische groeilanden een belangrijke exporteur van industrie-produkten is geworden.

China's relatieve succes is ten dele aan exportsubsidies en importstops te danken, maar vooral aan de opkomst van een flexibele exportgerichte 'gemengde niet-staatssector' sinds het begin van de economische hervormingen in 1978. Lardy zegt dat eind jaren tachtig slechts veertig procent van China's nationale inkomen nog gegenereerd werd door de staatssector en de rest door de landbouwsector die in wezen prive is (hoewel de grond staatseigendom blijft). Het nationale inkomen komt verder voor rekening van stadscollectieven: ondernemingen die geen staatseigendom zijn maar wel op een socialistische, maar meer flexibele wijze geleid worden, plattelandsindustrieen van boeren-ondernemers, kleine stedelijke vrije ondernemingen, joint-ventures en pure buitenlandse bedrijven.

Staatspublicaties bagatelliseren de niet-staatssector, maar dat heeft propagandistische redenen. Het persbureau Nieuw China meldde onlangs bij voorbeeld dat de pure prive-sector 20,92 miljoen werknemers heeft, 4,04 procent van het nationale arbeidsbestand. Geregistreerd kapitaal bedroeg slechts 2,3 procent van het kapitaal van de staatssector en produktie slechts 0,5 procent van het BNP.

Een leidende Westerse econoom in Peking zei echter dat de prive-sector zeer moeilijk te definieren is. Bij voorbeeld in de stad Wuxi - tussen Shanghai en Nanjing - zijn alle ondernemingen eigendom van de gemeente, maar de managers zijn geen stedelijke partijkaders, maar zakenlieden. Hetzelfde geldt voor een aantal andere middelgrote steden in de twee kustprovincies Jiangsu en Zhejiang.

Pag. 12:

China betaalt hoge prijs voor stabiliteit en vooruitgang

De staat erkent wel dat de gemengde sectoren de snelst groeiende zijn.

Bij voorbeeld staatsondernemingen - waarvan twee derde verliezen lijdt - groeiden qua omzet in 1989 met slechts 3,7 procent, de collectieve sector met 10,7 procent, boeren-ondernemingen met 12,7 procent, prive-ondernemingen met 24,1 procent en bedrijven met buitenlandse investeringen 44,7 procent.

In 1990 nam deze kloof verder toe. De groei in staatsbedrijven nam af tot 2,9 procent, bij de collectieven tot 9,1 procent, in boerenondernemingen tot 12,5 procent en in de prive-sector tot 21,6 procent. Maar de groei in joint-ventures steeg naar 56 procent.

Buitenlandse investeringen nemen sinds midden 1990 weer toe. In 1990 werden volgens een intern raport van de Amerikaanse ambassade contracten voor 7.276 projecten getekend met een totale waarde van zes miljard dollar. Leidende investeerder is Hongkong, gevolgd door de VS en Taiwan.

De malaise in China's staatssector wordt weliswaar in ruime mate gecompenseerd door de andere sectoren, maar bij lange na niet genoeg.

Het beeld is echter weer gunstiger dan in de Sovjet-Unie, waar heel veel over de privatisering van 'pre-historische' staatsbedrijven - zogenaamde dynosaurussen - gepraat wordt en nauwelijks iets is gedaan.

In China is evenmin ook maar een dynosaurus getransformeerd, maar China heeft het voordeel van de nieuwe (semi) prive-sectoren die na 1978 uit het niets zijn opgekomen en hoofdzakelijk consumptie-goederen produceren.

China heeft daardoor al een zeker economisch pluralisme bereikt met name in de zuidelijke kustprovincies en het begint nu eindelijk ook in Shanghai. In niet geringe mate is dat aan de grootschalige activiteiten van cultureel verwante Hongkong-, Taiwan- en andere Overzeese Chinezen te danken. Kust-Chinezen hebben traditioneel een sterkere handels- en ondernemerstraditie dan Oost-Europeanen en de pre-revolutionaire ondernemerselite is in tegenstelling tot de Sovjet-Unie nog niet geheel uitgestorven. Hongkongers en Taiwanezen hebben gedurende de jaren tachtig in de zuidelijke kustgebieden de zaden van het kapitalisme tot diep aan de basis geplant en dat breidt zich langzaam als een 'olievlek' naar het noorden uit.

'Privatisering van grote staatsondernemingen' is een term die in China anathema is. In plaats daarvan wordt gebruikt 'eigendomshervorming', in de vorm van aandelen-vennootschappen met de staat als grootste en beslissende aandeelhouder en de minderheidsaandeelhouders als stille vennoten. Deze formule richt zich echter slechts op een aspect van het probleem, namelijk kapitaal dat dan niet langer door de staat en staatsbanken wordt geleverd maar door passieve aandeelhouders, veelal andere staatsbedrijven.

Zo blijft de politieke controle over de grote staatsbedrijven - de machtsbasis van de conservatieven in de partijtop - in handen van de staat. Maar het is in feite het ene gat met het andere vullen. Het hoofdprobleem is inefficient management, verliezen en produkten van lage kwaliteit. De verliezen worden gecamoufleerd door subsidies en preferentiele prijzen voor grondstoffen, vervoer etc. en de produkten waarvoor geen markt is, verdwijnen in opslagloodsen.

Premier Li Pengs therapie voor het elimineren van verliezen is het vormen van 'groepen van staatsondernemingen', waarbij de groten en sterken de kleinen en zwakken adopteren. “Dit is in feite de socialistische versie van kapitalistische overnames via de effectenbeurs. Het is helemaal niet dom en wordt ook genspireerd door de succesvolle conglomeraatvorming in Japan en Zuid-Korea. Je voorkomt zo dat je tientallen miljoenen werklozen krijgt, waartoe privatisering op de schaal van China onvermijdelijk zou leiden”, zei de economische China-specialist van een Westerse ambassade.

Om een meer drastische oplossing voor de crisis in de staatsbedrijven van Shanghai - de 'grootste dierentuin van dynosaurussen ter wereld' - te bereiken is de nieuwe burgemeester van Shanghai Huang Ju onlangs met de vindingrijke suggestie van 'een bedrijf - twee (of drie) systemen' gekomen.

Huang stelde experimenten met aandelen-vennootschappen als volgt voor: een deel in handen van de staat en de collectieven, een deel in handen van Chinese individuen en een deel in handen van buitenlandse bedrijven. Het management van kritieke afdelingen van een staatsbedrijf zou ook op contractbasis moeten worden uitbesteed aan buitenlandse experts, die kapitalistisch management praktizeren.

“Doel is uiteraard dat het ene systeem, het kapitalistische, het andere snel overneemt, maar dat mag je niet hardop zeggen” zei de Westerse econoom. Of het binnen afzienbare tijd zover komt is zeer de vraag, want telkens als een enthousiaste gouverneur of burgemeester met een innoverend initiatief komt, krijgt hij spoedig daarop bezoek van een of meer hoogbejaarde heren uit Peking.

Bij voorbeeld in februari reisde Deng Xiaoping (86) naar Shanghai, kennelijk om de hervormingsgezinde burgemeester Zhu Rongji te overreden een benoeming als vice-premier te aanvaarden als tegenwicht voor de conservatieve Li Peng. In mei reisde echter de nog oudere conservatieve 'tegen-patriarch' Chen Yun naar Shanghai om het nieuwe gemeentebestuur aan te manen niet te radicaal te werk te gaan met hervormingen.

Dit is de essentie van China's grootste probleem, de afwezigheid van institutioneel bestuur. Niet de constitutionele staatsorganen, maar een paar wilskrachtige oude heren hebben het laatste woord. De officiele staatsorganen hebben geen echt coherent beleid en een ordelijke uitvoering van controversiele aspecten van het beleid wordt sowieso verhinderd door kliek-tegenstellingen binnen de communistische partij, met name tussen de bejaarden.

Maar ondanks de ernstige institutionele en structurele problemen en de verliezen in twee derde van de staatsbedrijven werd in 1990 toch een totale nationale groei in alle sectoren van vijf procent bereikt. In het vijfjarenplan voor 1991-1995 was aanvankelijk een jaarlijkse groei van 4.5 procent gepland, maar China's leidende econoom Liu Guoguang voorspelde onlangs dat het in 1991 7.8 procent zal worden.

Het Staatsbureau voor de Statistiek maakte eerder deze week echter bekend dat de groei van de industriele produktie het eerste kwartaal van dit jaar gepaard ging met een winstdaling in de staatsbedrijven van 34 procent. De verliezen in de staatssector kunnen niet bestreden worden zonder radicale prijshervormingen, waarvoor men uit vrees voor sociale onrust uiterst huiverig blijft.

Er is echter een andere nog dwingender reden waarom men wel moet. Op het Nationale Volkscongres eind maart klaagde minister van financien Wang Bingqian dat een derde van het staatsbudget opgaat aan steun voor staatsbedrijven en het subsidieren van prijzen van dagelijkse levensbehoeften. Begin dit jaar zijn de prijzen in de vervoersector met 120 procent verhoogd om de betreffende ministeries in staat te stellen hun eigen expansie te financieren en niet te wachten tot de lege subsidiepot weer wat is bijgevuld. Hetzelfde geldt voor de prijzen van steenkool en olie.

Op 1 mei j.l. hadden de meest dramatische prijsverhogingen in de geschiedenis an de volksrepubliek plaats. De zwaar gesubsidieerde prijs van kook-olie ging omhoog met 158 procent, kwaliteitsrijst 75 procent en tarwe 55 procent. De maatregel had ten doel om de lasten van de onderbetaalde boeren te verlichten door de (subsidie-)lusten van de stedelingen op te heffen. Het resultaat is toenemende ontevredenheid, die in combinatie met andere crisis-verschijnselen zou kunnen leiden tot nieuwe sociale onrust.

De verschillende devaluaties van de vlksmunteenheid (renminbi) zijn in feite ook een prijshervorming. Het gaat om een aanpassing van de binnenlandse kostprijs van produkten aan die op de wereldmarkt. De devaluaties zijn - veel meer dan de exportsubsidies - de beslissende factor geworden in China's pijlsnelle export-expansie. Export-expansie was China's antwoord op de Westerse sancties. De stopzetting van bi- en multilaterale kredieten als straf voor het militaire geweldtegen ongewapende burgers in juni 1989 leidden tot een liquiditeitscrisis.

De buitenlandse schuld bedraagt in totaal 55 miljard dollar waarvan in 1991 5,15 miljard dollar moest worden afgelost. Door een aanzienlijk handelsoverschot te creeren kon China toch stipt aan zijn internationale verplichtingen als debiteur voldoen. De andere aspecten van China's internationale financiele positie zijn tamelijk rooskleurig. Deviezen-reserves worden voor eind van dit jaar op 49 miljard dollar geschat, een van de hogere ter wereld. De goudvoorraad is mysterieus, maar eveneens aanzienlijk. Een Westerse bankier meent dat China waarschijnlijk al een netto crediteur in de wereld is. De vooruitzichten dat een steeds verergerende economische crisis het regime ten val zal brengen - zoals in de Sovjet-Unie nog steeds dreigt - zijn in China daarom onrealistisch. Het soort stabiliteit dat China nu heeft, garandeert verdere economische vooruitgang, maar de prijs die betaald wordt, is zeer hoge repressie en veel pijn.