Arme boerenzonen bivakkeren in paleizen van Addis Abeba

ADDIS ABEBA, 20 JUNI. Met de modder nog aan de schoenen bivakkeren de boerenzonen van het EPRDF in de met dikke tapijten belegde paleizen, ministeries en hotels van de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba. In het pluche kantoor van de voormalige directeur van het Politieke Instituut staat naast de glazen boekenkast een veldbed, waarop een hoopje vieze sokken en ondergoed ligt. Het is de slaapplaats van EPRDF-commandant Halerom Alemu. Hij ziet toe op ruim 200 hoge ambtenaren en militairen van het vorige regime die luxueus verblijven op de nabijgelegen campus.

De nieuwe machthebbers in Ethiopie hebben zich nog niet naar de kleermaker begeven. Alleen de nieuwe politieke gevangenen op de campus verruilden na enkele dagen hun colbertjes en glimmende schoenen voor trainingspakken en gympies, die hun familieleden afleverden. De jonge strijders van het Ethiopische Revolutionaire Democratische Volksfront (EPRDF) bezitten geen kleren om te verwisselen. Zij lopen veelal in nauwe korte broek, hun dekens als hoofddoek, en gaan blootsvoets of op plastic sandalen, gewapend met geweren of pistolen, handgranaten en messen. Van hun smerige T-shirts staren de gezichten van Frank Zappa, Pink Floyd of Bob Marley. Velen van deze spartaanse strijders slapen op straat.

De kleine Tekleweni Asafa was vice-voorzitter van Rest, de humanitaire afdeling van het verzetsleger. Zijn leven in rebellengebied bestond uit zware missies naar afgelegen berggebieden, nachten rijden in onbetrouwbare terreinwagens over keige paden, en slapen onder de open hemel. Hij voelt zich nog wat onwennig in Addis Abeba, de stad die hij 15 jaar geleden verliet. Op het pluizige tapijt van zijn kantoor van de nationale Hulp- en Rehabilitatie Commissie (RRC) weet hij zich omringd door twee nette dames op hoge hakken. Deze secretaresses van de oude RRC-baas reageren nerveus op Tekleweni, dit smoezelige kleine ventje op sandalen.

De woeste EPRDF-strijders worden omzichtig benaderd door de elite onder het ancien regime. In de Lobbybar van het Hilton-hotel probeert het hoofd van de prive-veiligheidsdienst het met whiskey. Maar Tekleweni laat zich geen stroop om de mond smeren. Hij kwam op dit late uur naar het hotel om medewerkers van het Rode Kruis te ontmoeten en niet om gratis dronken te worden.

Barakat kreeg na de machtsovername van zijn EPRDF opdracht zorg te dragen voor buitenlandse correspondenten. “U zult vrijer zijn dan ooit om in dit land te reizen”, verklaart hij op een speciale bijeenkomst aan het perskorps. De Westerse journalisten kunnen het niet geloven, het EPRDF noemde zich immers tot voor kort marxistisch, en van zo'n beweging mogen beloftes over vrijheid niet worden vertrouwd. Barakat blijft vriendelijk onder de stortvloed van verwijten en beschuldigingen.

In afwachting van nieuwe bevelen kunnen de meeste topambtenaren voorlopig hun oude werk blijven doen. Teklu Tebor was onder het vorige regime de man die op journalisten moest letten. Hij vervulde de rol van boeman voor de pers, alleen met zijn toestemming mocht de correspondent Ethiopie binnenkomen, alleen met zijn permissie konden de strikte beperkingen om in het binnenland te reizen worden omzeild.

Zijn gidsen begeleidden de correspondent en berichtten indien nodig over diens gedrag aan de veiligheidsdienst. Met een emotieloos gezicht aanschouwt Teklu hoe de boerenjongen Barakat de afschaffing aankondigt van dit verfijnde controlesysteem. Een journalist durft nog tegen Teklu te roepen: “Waarom verstrekte u mij vroeger nooit een visum?”

Teklu fronst zijn wenkbrauwen en slaagt er in zijn waardigheid niet te verliezen. “Omdat we over te weinig mankracht beschikten om de visum-aanvragen af te handelen”, liegt hij.

Alleen de allerhoogste EPRDF-leiders staken zich in nette kleren. EPRDF-voorzitter Meles Zenawi draagt zijn driedelige pak alsof hij in een ongemakkelijk ruimtepak vastzit. Evenals tijdens zijn dagen op het platteland toont hij zich lichtelijk bedeesd. Evenals vroeger eindigen zijn antwoorden op gevoelige politieke vragen met “het volk moet beslissen”. Want het volk op het platteland bleek zich ook op democratische wijze in EPRDF-gebieden te kunnen organiseren, klinkt het vol zelfvertrouwen. Meles laat zich interrumperen door opdringerige journalisten en gaat met hen discussies aan.

Zet dit af tegen de zeer formele stijl van Mengistu. Zijn naaste medewerkers, nu politieke gevangenen, omschrijven de ex-president als een man met een gespleten persoonlijkheid: soms eenvoudig en menselijk, op andere momenten ijskoud, hard en keizerlijk hooghartig.

Voor een vraaggesprek met Mengistu diende de journalist alle vragen een paar dagen van tevoren schriftelijk in te dienen. Ik stelde Mengistu eens spontaan een vraag die niet op papier stond. Zonder een spier te vertrekken antwoordde hij op de andere, schriftelijk ingediende vraag. De 55-jarige Mengistu stond boven de mensen, de 36-jarige Meles doet het voorkomen alsof hij een gewoon mens wil blijven.

Het contrast tussen de oude heersers en de nieuwe brengt de bewoners van Addis Abeba in verwarring. Moeten zij op de luchthaven luisteren naar de in strak uniform gestoken douanebeambte, of naar de 16 jaar oude EPRDF-soldaat in korte broek - maar met geweer - die toeziet of de ambtenaren van het vorige regime hun taak naar behoren vervullen?

Bij het hoofdbureau van de nieuwe veiligheidsdienst staat Basarat ontspannen te praten met familieleden van politieke gevangenen. Hij werd benoemd tot hoofd van de nieuwe organisatie van geheim agenten.

“U bedoelt dat ik me bij hem moet vervoegen voor inlichtingen”, vraagt een omstander mij. “U bedoelt dat iedereen het hoofd van de veiligheidsdienst op straat kan aanspreken?”

Nooit eerder trok op het Afrikaanse continent zo'n gedisciplineerde verzetsbeweging een hoofdstad binnen. Het EPRDF verdreef een van de meest meedogenloze en gehate regimes van het continent. Toch hangt er nog steeds geen sfeer van bevrijding in de lucht van Addis Abeba. Het is alsof de inwoners van de hoofdstad zijn bevrijd door een bezettingsleger. De chauvinistische Amharen, die het grootste deel van de stadsbevolking vormen, kunnen het niet verkroppen dat een regionale verzetsbeweging uit Tigray verantwoordelijk moest zijn voor de beeindiging van Mengistu's wanbestuur. Sinds de lange regeerperiode door de Tigrayers tot aan de vorige eeuw maken immers de Amharen de dienst uit in Ethiopie.

Geen enkele Amhaar meldt slechte ervaringen met de nieuwe machthebbers. Wel berichten ze uit tweede of derde hand te hebben vernomen van slecht gedrag van EPRDF-strijders in Addis Abeba. Het wantrouwen voedt de geruchten. Een jonge Amhaar prijst de EPRDF-strijders. “Dit zagen we nog nooit in Ethiopie. Zelfs als je ze geld wilt geven weigeren ze het. Dit betekent voor ons democratie.”

Dan volgt de twijfel. “Maar zal het zo blijven, kunnen we die jongens werkelijk vertrouwen? Wat ik bedoel is, we kunnen niet accepteren dat Tigrayers ons komen bevrijden.”