Alleen harde hoog-zuurstof doorlatende lenzen zijn geschikt voor continu gebruik

'Harde hoog-zuurstof doorlatende lenzen hebben wij twee jaar lang dag en nacht laten dragen. Wij zijn daarmee tot het uiterste gegaan, want we wilden zekerheid hebben dat het dan nog steeds goed ging met het oog.'

Dat vertelt Jan Kok, oogspecialist bij de co en contactlenzen-polikliniek van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. Hij promoveert vandaag op een uitgebreide studie naar de voordelen en de bruikbaarheid van nieuw ontwikkelde contactlenzen. Hij beschrijft in zijn proefschrift* de mogelijkheden om met speciale lenzen patienten met allerlei oogafwijkingen te helpen. Ook onderzocht hij de risico's van het continu dragen van zogenaamde 'extended wear-lenzen'.

Hij concludeert uit tweerzoeken, waaraan in totaal 51 proefpersonen deel namen, dat harde hoog-zuurstof doorlatende lenzen uitstekend verdragen worden. Zelfs bij langdurig continugebruik kwamen er geen complicaties voor. Kok wijst er met nadruk op dat dit niet geldt voor zachte 'extended wear-lenzen': 'Geen enkele zachte lens laat zoveel zuurstof door dat deze dag en nacht kan worden gedragen.'

Het is belangrijk dat lenzen zoveel mogelijk zuurstof doorlaten, omdade cellen van het hoornvlies - het doorzichtige voorste deel van de oogbol (cornea) - voor hun functioneren volledig afhankelijk zijn van de zuurstoftoevoer uit de buitenwereld. Alle lenzen die geen of weinig zuurstof doorlaten, zijn daarom onacceptabel. Dat geldt dus voor de harde PMMA-lens (PMMA, polymethyl-methacrylaat), maar net zo goed voor de zachte HEMA-lens (HEMA, hydroxy-ethyl-methacrylaat).

Dergelijke lenzen veroorzaken op den duur door zuurstofnood van de cornea oogafwijkingen. Er groeien dan bloedvaatjes het hoornvlies in de cellen toch van zuurstof te voorzien. Ook worden de endotheelcellen aan de binnenkant van het hoornvlies onregelmatig van grootte (polymegatisme).

Het endotheel bestaat uit een enkele laag regelmatige, zeshoekige cellen. Die cellen worden na de geboorte nooit meer vervangen. Je moet het dus je hele leven met dezelfde endotheelcellen doen en dat maakt het endotheel zeer kwetsbaar. Als de endotheelcellen een onregelmatige structuur gaan vertonen wordt dit dunne laagje steegevoeliger.

Oogartsen zijn bang dat dit, bijvoorbeeld bij staaroperaties, problemen op gaat leveren.

TRAANVOCHT

Zachte, hoog-zuurstof doorlatende cellen laten vaak evenveel zuurstof door als vergelijkbare harde lenzen, maar toch wordt de cornea bij het gebruik van zachte lenzen slechter van zuurstof voorzien. Dat komt omdat een zachte lens grotere afmetingen heeft en dus een veel groter deel van de cornea bedekt. Bovendien beweegt zo'n grote lens minder en dat maakt de verversing van het tvocht onder de lens veel geringer (slechts 1,1 procent per minuut, vergeleken met 14-18 procent bij harde lenzen). Via dat traanvocht wordt ook zuurstof onder de lens aangevoerd.

Een ander probleem bij zachte lenzen is dat er snel eiwitten en dergelijke op neer slaan. Die vervuiling veroorzaakt irritatie en ontstekingen van het oog. Jan Kok schat het aantal complicaties bij zachte lenzen zeker vijf keer zo hoog als bij harde lenzen. Als zachte lenzen continu gedragen wordenn er zelfs tien keer zo veel complicaties.

Desondanks worden er wereldwijd veel meer zachte dan harde lenzen gedragen. In Amerika worden zelfs praktisch alleen zachte lenzen verkocht. Ook in Europa is de softlens goed voor 75 procent van de markt.

Alleen in Nederland worden er betrekkelijk veel harde lenzen verkocht (41,5 procent hard, gegevens: Euromcontact, Europese contactlenzenfabrikanten). Volgens Jan Kok komt dit, doordat een zachte lens zo gemakk aan te meten is: 'De hoeveelheid technische kennis die men er voor nodig heeft, is klein. Er zijn maar een paar vormen. Men gebruikt voor zachte wegwerplenzen zelfs als verkoopargument 'One size fits all.'

Toch klopt die redenatie volgens Kok niet: 'Er zijn veel te veel oogvormen om een lens die bij iedereen past te kunnen maken. Daarom is er een grote kans dat zo'n lens toch iets te krap zit en dan beweegt de lens helemaal niet meer.' De verversing van het traanvocht valthiermee weg en daarmee een groot deel van de zuurstoftoevoer.

Het probleem is dat zo iemand toch stralend en tevreden de winkel verlaat - een zachte lens irriteert niet. Dat lijkt natuurlijk heel prettig, maar er is ook een gevaar aan verbonden. Pijn die waarschuwt dat er iets mis is, komt er niet bij voor. Vaak gaat het dragen lange tijd goed. Zeker bij jonge mensen blijkt het oog veel te kunnen hebben.

Toch komen er dan uiteindelijk na vijf of soms wel tien jaar klachten, zoals zweertjes in het hoornvlies of 'giant papillary conjunctivitis'.

Bij deze laatste aandoening zijn de kleine traankliertjes onder het bovenooglid enorm vergroot. Men denkt dat dit een allergische reactie op de eiwitneerslag op de lens is. De enige remedie in dit soort gevallen is het stoppen met het dragen van zachte lenzen.

Verder blijken alle mensen die zachte lenzen dag en nacht dragen endotheelafwijkingen te vertonen. Kok wijst in verband met het dragen van zachte lenzen op een merkwaardig fenomeen: 'Er komen in ons contactlenzencentrum regelmatig zogenaamde 'PMMA-veteranen'. Zo noemen wij mensen die al twintig jaar tevreden harde niet-zuurstof doorlatende lenzen dragen. Wat wij echter bijna nooit zien, zijn patienten die al langdurig softlenzen dragen.' Blijkbaar stopt iedereen op den duur met het dragen van dat soort lenzen.

Echte beschadiging Een harde lens irriteert dus sneller. Eigenlijk maar goed ook, het is een waarschuwing die onen voor echte beschadiging beschermt. Verder hebben harde lenzen een groot aantal andere voordelen. Ze kunnen tegenwoordig precies passend worden aangemeten (zie kader) en dat garandeert een betere traanuitwisseling. Bovendien kan het zuurstofdoorlatend vermogen veel hoger worden opgevoerd. Zo worden er nu al harde lenzen geproduceerd die ruim twee keer zo veel zuurstof doorlaten als de beste softlens. Deze lenzen moeten de opvolgers worden van de lenzen die Jan Kok getest heeft. Ze zijn ook etzelfde materiaal gefabriceerd, een fluorosilicon-acrylaat copolymeer of fluoro-carbon-acrylaat copolymeer.

Een ander belangrijk punt is dat harde lenzen veel goedkoper zijn in het gebruik: de levensduur is beduidend groter en het onderhoud goedkoper.

Harde lenzen gaan zeker twee jaar mee. Zachte lenzen moeten echter ieder half jaar vernieuwd worden, omdat ze dan stijf worden en vervuild raken en op het hoornvlies kunnen gaan knellen.

Zachte lenzen moeten zeer zorgvuldig onderhouderden (kosten aan bewaar- en schoonmaakvloeistoffen (f) 30,-, vergeleken met hoogstens (f) 10,- per maand bij harde lenzen).

Er is overigens uitgerekend dat er jaarlijks ten opzichte van het aantal verkochte zachte lenzen slechts de helft van de benodigde schoonmaak- en bewaarvloeistof wordt verkocht. De lenzen worden dus te lang in dezelfde vloeistof bewaard. Dat levert extrarisico op complicaties.

ZIEKTEVERZUIM

Jan Kok denkt dat klachten door het dragen van zachte lenzen een aanziee oorzaak zijn van ziekteverzuim. Zijn advies is daarom: 'Als je lenzen wilt gaan dragen, probeer dan altijd eerst harde lenzen. Als dat niet goed gaat, kun je altijd nog op zachte overstappen.'

Overigens zijn er volgens Kok, als de voorschriften maar goed worden opgevolgd, geen bezwaren tegen het dragen van zo hoog mogelijk zuurstof doorlatende zachte lenzen voor 'daily wear'. Essentieel is het om ze op de juiste wijze schoon te houden en op tijd te vernieuwen. Voor continu-gebruik vindt hij en harde lenzen met een zo hoog mogelijk vermogen om zuurstof door te laten aanvaardbaar.

Overigens heeft zijn onderzoek toch nog wel wat twijfel gezaaid over de veiligheid van het dag en nacht inhouden van lenzen. Hij heeft namelijk wel degelijk iets ontdekt wat niet normaal is: na twee jaar bleek het hoornvlies een fractie dunner en vlakker geworden. Het had weliswaar geen enkele consequentie, maar Jan Kok vindt dat we er toch rekening mee moeten houden.

Zelf is hij daarom een voorstander van zogenaamde 'flexible wear'. Je houdt ze dan alleen 's nachts in als het te gecompliceerd wordt om ze uit te doen. En je kunt hoog-zuurstof doorlatende lenzen ook gewoon eens ongestraft vergeten.

*New developments in the field of contact lenses. Jan H.C. Kok.

Alleen als een harde lens perfect op het hoornvlies past, zit hij prettig. Het draagcomfort, maar ook de verversing van het traanvocht verbeteren daardoor sterk. Bovendicht de lens bij een goede pasvorm beter aan het oog. De kans dat ze uit het oog vallen, is dan veel geringer. In het contactlenzencentrum van het AMC wordt daarom de vorm van het hoornvlies zorgvuldig opgemeten. Eerst meet men twee punten rond het midden van de cornea. Die vormen een maat voor de basiskromming van het hoornvlies en bepalen dus de kromtestraal van de lens (hoe groter de kromtestraal, hoe platter de cornea). Die punten meet iedere contactlenzenspecialist. In het AMC meet men echter ook nog een viertal uitersten van het hoornvlies (boven, onder, links en rechts). Die waarden geven de afvlakking (excentriciteit of E-waarde) aan. Dat wil zeggen, verloopt de cornea langzaam of snel naar de omgeving. Zo garandeert men een veel betere pasvorm. Vroeger kon men hier geen rekening mee houden, omdat een contactlens alleen bolrond (sferisch) gedraaid kon worden. Sinds de invoering van computer gestuurde machikan men ook ovale lenzen (asferische of elliptische lenzen) draaien. Dat maakt een veel betere passing mogelijk.

Foto: Door fluorescene aan het traanvocht toe te voegen kan de pasvorm van de lens beoordeeld worden. Als de lens goed past, licht het fluorescene overal gelijkmatig groen op. Een donkere plek duidt er op dat er daar geen traanvocht zit. Daar drukt de lens op het hoornvlies en is geen traanvochtuitwiss mogelijk.

Het aantal mensen met een echt bolrond hoornvlies is zeer klein. De meeste mensen hebben een elliptische cornea en bij een klein deel is het hoornvlies bijna parabolisch.