Achttien jaar geeist in beroep IRA-zaak; Advocaat-generaal: vier verdachten lid van IRA-terreurcel

DEN BOSCH, 20 JUNI. Advocaat-generaal mr. F. van Straelen heeft gisteren voor het hof in Den Bosch gevangenisstraffen van achttien jaar geeist tegen drie verdachten in het IRA-proces, de Ier Sean H. (30) en de Noordieren Gerard H. (27) en Donna M. (24).

De advocaat-generaal beschouwt hen als medeplegers van de IRA-aanslag vorig jaar in Roermond, waarbij twee Australische toeristen werden doodgeschoten. Tegen de vierde verdachte, de Noordier Paul H., werd een straf van twaalf jaar geeist wegens medeplichtigheid aan moord.

Hij zou niet rechtstreeks bij de aanslag betrokken zijn geweest, maar wel geholpen hebben bij de voorbereiding.

Bijna drie maanden geleden is alleen Gerard H. in eerste aanleg door de rechtbank in Roermond veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien jaar. De andere drie werden wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken van de moord.

De rechtbank in Roermond kwam niet toe aan de vraag of de vier zich hadden schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie, omdat de dagvaarding op dat punt te vaag werd geacht.

Deze nietigverklaring is drie weken geleden door het hof ongedaan gemaakt, met als gevolg dat de vier verdachten op 1 juli opnieuw voor dat feit in Roermond terecht moeten staan. Het hof in Den Bosch wijst vier dagen later arrest.

In een zes uur durend requisitoir volgde advocaat-generaal Van Straelen ongeveer dezelfde lijn als officier van justitie Laumen in Roermond. De aanslag op de Australiers was het werk van een IRA-cel, waarvan de vier verdachten deel moeten hebben uitgemaakt. Allerlei aanwijzingen gaan volgens de advocaat-generaal in die richting: (VO) De vier verdachten hebben een typische IRA-achtergrond en zijn gearresteerd of veroordeeld voor feiten die in verband staan met de 'Provisional'-vleugel van de IRA.

(VO) Drie van de vier verdachten zijn in de dagen voor de aanslag samen gesignaleerd door onder anderen de studente Ingrid H., die met een van hen, Sean H., bevriend was geraakt.

(VO) De vierde verdachte, Paul H., is een uur voor de aanslag gezien in Venlo bij de plaats waar de vluchtauto, een Mazda 626, werd gestolen. De Opel Kadett waarin Paul H. werd gezien, is een dag later bij een Haags verhuurbedrijf teruggebracht door Sean H.

(VO) Gerard H. is vlak na de aanslag herkend door een Roermonds echtpaar in de Mazda 626 waarmee de daders vluchtten.

(VO) Daags na de aanslag heeft Sean H. een afspraak gemaakt met zijn vriendin Ingrid. Hij was overstuur en zei dat hij het verschrikkelijk vond wat er gebeurd was en dat de aanslag het werk was van de IRA.

Drie weken na de aanslag zijn drie van de vier verdachten gearresteerd op de plek waar ze kennelijk de wapens hadden verborgen die gebruikt zijn bij de aanslag in Roermond en bij diverse aanslagen in Duitsland.

(VO) De vierde mman, Paul H., is twee dagen later gearresteerd toen hij op zoek was naar de ontsnapte Sean H.

(VO) In appartementen in Den Haag en Hannover zijn onder meer vingerafdrukken van het viertal ontdekt en van de in oktober door de Britse politie gedode Desmond Grew, die waarschijnlijk de leider van de groep is geweest.

Van Straelen heeft tijdens de behandeling in hoger beroep de deskundigheid van de Schotse hoogleraar Paul Wilkinson ingeroepen om aannemelijk te maken dat er vorig jaar maar een IRA-cel actief is geweest op het continent. Volgens Wilkinson zijn er genoeg aanwijzingen om dat aan te nemen. De belangrijkste is volgens hem dat de reeks aanslagen in Duitsland en Nederland, die begin vorig jaar met dezelfde wapens zijn gepleegd, plotseling eindigde op het moment dat het viertal gearresteerd werd in de bossen bij Chaam, waar ook de wapens werden teruggevonden.

Bij het vaststellen van ieders aandeel in de Roermondse aanslag is Van Straelen op een belangrijk punt afgeweken van wat officier van justitie Laumen daarover heeft gezegd. Volgens Laumen vormden de vier voor en tijdens de aanslag een “zo hechte, intensief en planmatig nauw samenwerkende dadersgroep”, dat het er niet meer toe deed wie ten slotte op de Markt in Roermond de trekker overhaalde.

Volgens Van Straelen is voor die vorm van medeplegen echter vereist dat de verdachten niet alleen bij de voorbereiding, maar ook bij de uitvoering aanwezig waren. Omdat getuigen maar drie daders hebben gezien, kan de advocaat-generaal maar drie medeplegers aanwijzen.

Gerard H. werd herkend rechts voorin in de vluchtauto, waar de schutter met het pistool plaats had genomen. Sean H. zou ondanks zijn camouflage door zijn opvallende ogen zijn herkend. Van Straelen spreekt van een “lichte herkenning”.

Donna M. ten slotte “zou je met de grootste voorzichtigheid kunnen plaatsen achter het stuur van de Mazda 626”, aldus Van Straelen. Hij baseert zich op een getuige die een bestuurder heeft gezien die nauwelijks boven het stuur uitkwam. Paul H. wordt door de advocaat-generaal als 'de vierde man' beschouwd, die geholpen heeft bij de voorbereiding en derhalve alleen als medeplichtige kan worden beschouwd.

Van Straelen wees ook de kritiek van de hand dat het opsporingsteam te snel de foto's van de verdachten had vrijgegeven, zodat de ooggetuigen later bij de fotoherkenning en de Oslo-confrontaties 'besmet' waren.

Daarbij is in strijd met de richtlijnen van de Recherche Advies Commissie gehandeld, maar volgens Van Straelen hoeft dat niet te betekenen dat het verkregen bewijs onbruikbaar is. Tegenover de richtlijnen stelde hij een circulaire van de minister van justitie uit 1980, waarin het uitzenden van een opsporingsbericht toelaatbaar wordt geacht voordat alle andere mogelijkheden zijn uitgeput, als de politie het vermoeden heeft dat er niet voldoende gegevens zijn om een ernstig misdrijf op te lossen.