Pianist Achucarro roept het Spanje van exotische sprookjes op

Concerten: Joaquin Achucarro (piano). Programma: Granados, Goyescas; Albeniz, Iberia. Gehoord: 18-6 Kleine zaal Concertgebouw, Amsterdam. Radio Symfonieorkest en Groot Omroepkoor o.l.v. Antonio de Almeida. Solisten: Ana Maria Gonlez (sopraan), Mabel Perelstein (mezzosopraan), Daniel Galvez Vallego (tenor), Enrique Vaquerizo (bariton). Programma: Albeniz, Iberia (orkestversie); Granados, Goyescas (operaversie). Gehoord: 13-6 Grote zaal Concertgebouw, Amsterdam

In het kader van het thema 'Spaanse muziek' bracht het Holland Festival twee evenementen die samen een belangwekkend experiment hadden kunnen worden: twee uiterst Spaanse werken van Granados en Albeniz konden gisravond beluisterd worden in de oorspronkelijke versie voor piano, terwijl zij jongstleden donderdag werden uitgevoerd in de minder bekende versie voor orkest en in de operabewerking. Het leek een unieke kans tot vergelijking, maar helaas was het verschil in kwaliteit tussen beide uitvoeringen zo groot dat er niets te vergelijken viel. De ongenuanceerde, lusteloze vertoning van het Radio Symfonieorkest onder de weinig bezielende leiding van Antoo de Almeida doofde elk spoortje vuur in Iberia van Albeniz en maakte van Granados'

grillige opera Goyescas een slaapverwekkende geschiedenis waarin zowel het Groot Omroepkoor als de vier solisten werden meegesleept.

Wat zo'n honderdvijftig musici niet lukte, bracht gisteravond een musicus tot stand. Uit zijn instrument toverde de Spaanse pianist Joaqun Achucarro zangstemmen, gitaren en zelfs een heel symfonieorkest. Ondanks een internationaal gerichte carriere heeft Achucarro de navelstreng die hem verbdt met zijn land niet doorgeknipt en spreekt hij het Spaans van Granados en Albeniz nog vloeiend. Met een ingetogen passie en een grillig getimede opeenvolging van de muzikale invallen wist hij dat exotische sprookjesland op te roepen dat zo'n enorme aantrekkingskracht uitoefende op componisten als Debussy en Ravel.

Als een van de weinige hedendaagse pianisten beheerst Achucarro de kunst van het rubato-spel. Zelfs het 'ouderwetse' ongelijk aanslaan van de linker- en de rechterhand, zo gemakkelijk in een maniertje ontaardend, klinkt bij hem volkomen natuurlijk doordat hij het niet toepast als een op de zenuwen werkende ritmische verschuiving, maar als een uitvloeisel van een rijk klankweefsel waarin draden van verschillende kleur en substantie dooreengevlochten zijn. Niet alleen het toucher maar vooral het verfijnde voetenwerk bracht deze scala aan klanken teweeg. Zelden drukt hij de pedalen geheel in en onder zijn voeten ble de moderne vleugel in staat om, net als zijn voorouders, arpeggio's te verbinden en toch de melodielijn niet te vertroebelen.

Hierdoor bleven alle kleuren van het rijke Spaanse palet helder en vol nuances en met een fijn penseel schilderde de pianist de taferelen uit Goyescas en Iberia.