Muziek Oezbekistan lijdt aan bloedarmoede

Concert: Holland Festival. De Zijderoute met muziek uit Oezbekistan. Gehoord: 18-6 Grote aula Tropeninstituut, Amsterdam. Herhaling aldaar: 19-6. Daarna volgt: Langs de Wolga (20 en 21-6), Uit China-Xian (22 en 23-6), Mongolie (24 en 25-6) en China-Uigur (26 en 27-6).

Zoals uitvindingen soms tegelijkertijd op verschillendelekken worden gedaan, er hangt dan blijkbaar iets in de lucht, zo is opeens de Zijderoute populair. Journalisten wijden er films en artikelen aan, sportievelingen krijgen plotseling aandrang hem per jeep of motorfiets af te leggen. Dat het Tropeninstituut er in het kader van het Holland Festival een muzikale reis van maakt is verheugend, al is het wat merkwaardig dat de tocht niet van oost naar west noch vice va verloopt, maar kriskras door Azie gaat. Het moderne kunsttoerisme heeft blijkbaar een andere ratio dan de vroegere handelskaravaan.

De tocht begon gisteren in Oezbekistan, in het zuidwesten van de Sovjet-Unie, islamitisch naar religie en muzikaal sterk benvloed door de Perzisch-Arabisch-Turkse traditie. Het voor de pauze optredende ensemble Khossil speelde een klassieke 'maqom', een door dezelfde toonsoort bijeengehouden serie stukken, eenstemmig uitgevoerd. De Oezbeekse maqom fungeerde vroeger als hofmuziek en dat was bij Khossil goed te merken. Dynamische contrasten waren er nauwelijks, de tempi waren laag, de ruimhartig toegepaste rubato-techniek gaf de muziek nog iets extra trekkerigs. Trage muziek voor een zonnige zestiende-eeuwse lusttuin waar nooit iets veranderde. Alleen de twinkelende dwarsfluitist en een uit zijn slof schietende zanger leken oor voor de dag van morgen te hebben.

De volksmuziek na de pauze werd ingeluid door een kakelende hobo eeen toeterende hoorn van bijna twee meter lang. De zaal veerde op, maar werd vervolgens weer neergedrukt door een herenkwartet dat zelfs in een buurthuisconcours nog geen troostprijs zou winnen. Er zat een vrolijke klepperaar bij, maar die hield er wijselijk maar snel mee op.

Een dame die zichzelf op een tambourijn begeleidde, een oude man die een hoofs dansje suggereerde, een bewegende schoonheid met een prachtig gewaad en hoge hakken aan, niemand kan ggen dat Oezbekistan geen artistieke variatie bood. De variatie van het in onze streken allang verdwenen varietetheater, krakkemikkig, ouderwets en lijdend aan bloedarmoede.

Wel bijzonder en echt volks was de 'kata achoula', een keiharde vocale dialoog voor twee mannen die om hun stem breed uit te laten waaieren met schoteltjes voor hun mond wapperden. De plunger-techniek van de Duke Ellington-trombonisten, nu eens gedemonstreerd door Oezbeekse troubadours, wie had dat ooit gedacht. Het was een onverwacht moment v authenticiteit in een show die verder gladjes verliep. Prachtige kostuums, een stipte dienstregeling en een finale van de hele groep: de Oezbeekse zijdemarkt leek bij vlagen wel een Sleeswijk-revue.

Oezbekistan is elf keer zo groot als Nederland en heeft 20 miljoen inwoners. Daar zitten toch wel een paar muzikale anarchisten bij? Of moeten we wachten tot de grenzen echt opengaan?