Junta Soedan wilde van honger niets weten

De eerste aanwijzingen van een nieuwe hongersnood in in Noord- en Zuid-Soedan kwamen vorig jaar maart al, en in augustus was duidelijk dat er weer talloze Soedanezen met uithongering werden bedreigd. Na een magere oogst in het vorige seizoen had het natte seizoen veel te weinig regen opge(JHrd: de nieuwe oogst zou zeker mislukken en door de voortgaande oorlog in het zuiden was de toestand daar des te slechter. Een extra probleem was dat de strategische graanreserve volgens diverse bronnen in de voorgaande maanden althans ten dele naar het buitenland was geexporteerd om geld voor de oorlog tegen de zuidelijke rebellen te vergaren.

Maar de door nationalistische moslim-fundamentalisten overheerste junta in Khartoum wilde van geen hongers(DH weten. “We eten wat we verbouwen, we dragen wat we vervaardigen”, is sinds de machtsgreep van generaal Al-Beshir en de zijnen een veelgehoorde leus. Economische zelfvoorziening en “werkelijke onafhankelijkheid” zijn het streven, zeker van buitenlandse hulporganisaties.

“Het nieuwe machtige Soedan, vol van waardigheid, weigert ook maar een hand bedelend te strekken”, schreef een Soedanees blad eind oktober. Toch schatte de regering zelf het voedseltekort al op een miljoen ton. “Een voedsellacune”, noemde zij dat, en zij hield dat nog maanden vol. Terwijl de Verenigde Naties en andere internationale hulporganisaties waarschuwden voor een ergere hongersnood dan in 1984-'85 en '86-'89 (in het zuiden), toen honderdduizenden mensen om het leven kwamen, en lieten weten dat nu zeven, negen, ja mogelijk zelfs elf miljoen mensen door honger werden bedreigd, bleef de junta de toestand bagatelliseren. Pas in het voorjaar erkende zij de ernst van de situen verklaarde zij zich bereid de internationale hulporganisaties de ruimte te geven. Maar in werkelijkheid werkt zij de hulporganisaties nog steeds tegen. Sommige hulpverleners denken dat de dood van een deel van haar onderdanen haar misschien niet slecht uitkomt.

De huidige junta kwam in 1989 aan de macht door middel van een staatsgreep tegen de weinig daadkrachtige, maar min of meer democratische regering van premier Sadeq al-Mahdi. Aanvankelijk zag het ernaar uit dat de juna van officieren uit het tweede echelon snel zou worden gewipt, bijvoorbeeld door de officieren van het eerste echelon die zich door de coupplegers hadden laten verrassen. Maar die militaire top leeft nu in ballingschap in het buitenland, en de junta heeft zich door zware repressie en een uitgekiend benoemingenbeleid weten te handhaven.

De junta heeft er nooit een geheim van gemaakt dat democratie niet haar streven is. Politieke partijen en vakbonden zijn verboden, en mogen nooit meer terugkeren, en de pers is strikt gemuilkorfd.

Mensenrechtenorganisaties als Amnesty International en Africa Watch hebben de behandeling van politieke gevangenen scherp aan de kaak gesteld: het regime wordt beschouwd als een van de ergste schenders van de mensenrechten in Afrika.

Alles gebeurt er in naam van de islam. Van de 'oude' politici speelt alleen Hassan al-Turabi van het officieel eveneens ontbonden fundamentalistische Nationaal Islamitisch Front nog een belangrijke rol. Turabi, die in stelling tot andere politici vrij is te gaan en te staan waar hij wil, heeft publiekelijk gezegd dat zijn partij in feite achter Beshirs coup zat. In maart is de shari'a, de islamitische wet, ingevoerd inclusief doodstraf, amputatie van ledematen, steniging en geseling, in die delen van het land waar een islamitische meerderheid is. Van de 25 miljoen Soedanezen is naar schattinprocent moslim.

De perscensuur (“om een vrije stroom van correcte informatie te garanderen”) werkte een hongersnood in de hand omdat zij de regering in staat stelde haar ontkenning van de feitelijke toestand vol te houden: de televisie toonde, aldus Africa Watch, beelden van uitstekende oogsten terwijl de boeren naar hun verdroogde velden keken. Maar waarom ontkende de junta de hongersnood - waardoor een vroegtijdig internationaal ingrijpen onmogelijk werd gemaakt - eigenlijk?

In het algemeen is de junta vanuit haar islamitisch-nationJH)tische ideologie allergisch voor “Westers cultuurimperialisme”, waarvan de hulporganisaties in haar ogen de dragers zijn. Soedan heeft een abonnement op voedseltekorten en hongersnoden als gevolg van slechte regenseizoenen en een rampzalige economie. Het land werd tijdens de hongersnoden van de jaren tachtig inderdaad vrijwel overgenomen door buitenlandse hulporganisaties die in naam van de efficientie Soedan in de praktijk leidden, en de junta zet zich ook concreet daaen af. Een hulporganisatie als Save the Children kan daar wel begrip voor opbrengen: een functionaris spreekt van “onervaren blanken die hen rondbevalen”. “Onze voorgaande regeringen en het oude regime hielden de (buitenlandse) organisaties niet in het oog, en zij hadden daarom de volle vrijheid om rond te slenteren, en ongecontroleerd het voordeel te genieten een hulporganisatie te zijn”, schreef een Soedanees blad in december. “Het grootste deel van het werk van de organisaties missionair (..) en het voornaamste doel van het missionaire proces is de verspreiding van de islam het hoofd te bieden.”

Die tijd is voorbij. “Werkelijke onafhankelijkheid”, staat nu hoog in het vaandel geschreven. “We zullen ons bevrijden van Westerse politieke invloed en culturele overheersing”, aldus het Engelstalige Sudanow in januari. “De tijden van hulp zijn voorbij”, vulde een ander blad aan. “Daarom weigeren we met de grootste waardigheid entrots dat dergelijke verdachte organisaties in het land blijven. God is groot!”

In oktober zei de minister van financien dat “joodse persbureaus” van een hongersnood spraken, maar dat dit alleen maar was bedoeld om het volk schrik aan te jagen en dat “er nooit een hongersnood is geweest en nooit een zal komen”. Er was dit jaar wel een “lacune”

in de voedselvoorziening, maar de regering had daar goed over nagedacht.

Tegelijk eisten de grote hulpdonors, de Verenigde Staten en Groot-Brittannie voorop, dat de regering eerst om hulp zou vragen en de hongersnood zou erkennen, voor er op grote schaal hulp zou worden geboden. De donors hadden bij eerdere gelegenheden geen dergelijke voorwaarden gesteld, maar naast haar schendingen van de mensenrechten en haar weigering economische hervormingen door te voeren hield de junta er - tijdens de Golfcrisis - slechte vrienden op na als Libie en Irak.

Pas in februari erkende de regeringer hongersnood dreigde en werd een vergelijk bereikt met de donorlanden. Maar zij erkende dat alleen in het buitenland: de Soedanese minister van bevoorrading en handel bijvoorbeeld ontkende een maand geleden weer dat er hongersnood was.

Hij onderstreepte dat autarkie was bereikt en dat zelfs een aantal goederen was uitgevoerd.

Tegelijk onderstreepten de Soedanese autoriteiten hun propaganda tegen de hulporganisaties met daden. Niet alleen n de organisaties - Oxfam, Save the Children, Artsen zonder Grenzen en andere - moeizaam visa om medewerkers in Soedan te stationeren, als ze er waren doorgedrongen mochten ze Khartoum niet uit. Of kregen ze geen toestemming een radio te gebruiken, vaak het enige communicatiemiddel. En de regering houdt er voorts al jarenlang een uitermate ongunstige speciale wisselkoers op na voor de hulporganisaties.

In de houding ten opzichte van de hulporganisaties is tot nu toe niet veel verandering gekomommige grote organisaties zien wel enige verbetering, maar dat is vaak ook plaatselijk bepaald. Een Nederlandse hulpfunctionaris van Artsen zonder Grenzen noemde deze week de situatie op dit gebied onveranderd slecht.

In het zuiden heeft de junta onlangs weliswaar de VN toestemming gegeven Operatie Lifeline Sudan te hervatten. Maar zij doet dat al voor de derde keer achtereen steeds in het natte seizoen, wanneer slechte verbindingen het onmogelijk maken veel hulp af tveren. De regering spant zich met alle middelen in te verhinderen dat gebieden in handen van de zwarte, christelijk-animistische rebellen worden bevoorraad. Hier wordt oorlog gevoerd met voedsel.