Jeu de Paume is veranderd in ijselijk wiunsthal

PARIJS, 19 JUNI. Parijs heeft er een voorbeeldige expositie-ruimte bijgekregen. Het Jeu de Paume, decennia lang het vertrouwde onderkomen van de impreisten in de Tuilerieen, zal vanaf morgen als stedelijke kunsthal voor het publiek worden geopend. In het totaal heringerichte en ijselijk wit gestucte interieur is geen eigen collectie meer te vinden. De voorname groepsportretten van de als bankiers geklede impressionisten, hangen voorgoed in Musee d'Orsay. De Galerie Nationale Jeu de Paume, zoals het voormalige keizerlijke tenniscourt nu heet, zal naar voorbeeld van Duitse kunsthallen en de Whipel Art Gallery in Londen, tentoonstellingen gaan wijden aan eigentijdse kunsten uit binnen- en buitenland, beeldende kunst vooral, maar ook film en video.

Na de officiele opening van afgelopen maandag door de Franse president Mitterrand en na de ontvangsten van selecte gezelschappen, mocht gisteren de internationale, streng gecontroleerde pers de tentoonstelling van Jean Dubuffet bekijken. Aan deze schilder, dichter, schrijver en musicus (1901-1985) - “misschien wel debelangrijkste kunstenaar van de laatste dertig jaar”, zegt de nieuwe Jeu de Paume-directeur Alfred Pacquement, voormalig conservator van het Centre Beaubourg - wordt een ware hommage gebracht: een overzicht van een paar honderd tekeningen en schilderijen, die alle dateren uit zijn laatste tien levensjaren en die alle genspireerd zijn op het beeldend werk van kinderen en zwakzinnigen.

Maar de nieuwsgierigheid ging gisteren toch in eerste instantie uit naar het vijf jaar lang 'vergeten' Jeu de Paume. Met een budget van ruim twintig miljoen gulden heeft architect Antoine Stinco alle inwendige museumsporen

uitgewist, het uiterlijk van het gebouw grondig laten restaureren en elfhonderd vierkante meter zaalruimte gecreeerd, die tot in de finesses is afgewerkt. Het complex wordt nu niet voor niets de 'Armada' langs de Seine genoemd, waarbij de Orangerie aan de overzijde, de pendant van het Jeu de Paume met zijn groezelige gevel en verrot houtwerk, pover(Js afsteekt. Net zo grondig en geraffineerd als het 17de-eeuwse Hotel Sale van Parijs veranderde in het schitterende Musee Picasso, net zo ingrijpend en verfijnd heeft Stinco het in 1861 geconstrueerde Jeu de Paume getransformeerd in een eigentijds 'tentoonstellingspaleis' met negen grote en kleine expositiezalen.

Pag. 6:

Een nieuw, streng en uitnodigend museum

Om het nieuwe Jeu de Paume een vederlicht en open karakter te geven heeft architect Stinco het boogvormige front tussen de twee zuilen bij de ingang doorgebroken. De ontvangsthal, nu getransformeerd in een glazen kubus met een ijle staalconstructie, het daarom zelfs zonder kunstlicht stellen. En door de boogramen, die als 'arcades' het tachtig meter lange complex sieren, eveneens tot de grond toe door te trekken, is de bezoeker vanaf de entree al een blik gegund in de achter het gebouw gelegen tuin, waar alleen nog maar een paar jeugdige geraniums in het gelid staan. Straks, in 1995, als de lanen, gazons en terrassen van de Tuilerieen in ere zijn hersteld en als de 2.600 zieke bomen zijn gerevalideerd, zal men zicen in het Giverny van Monet wanen, ver weg van het dolgedraaide verkeer op de Rue de Rivoli en de Place de la Concorde.

Maar het meest opvallende onderdeel van Stinco's concept is de uitnodigende structuur van het op drie niveau's gebrachte interieur.

architect trok op zijn tekentafel door het rechthoekige grondplan vanaf de entree een schuine lijn die taps toeloopt naar achteren.

Omdat deze lijn in werkelijkheid als strenge scheidingswand tot aan het dak reikt, valt zelfs via de melkwitte eglazing nog daglicht op de begane grond.

Bij binnenkomst krijgt de bezoeker drie keuzemogelijkheden aangereikt. Hij kan de witte marmeren trap afdalen, naar de nieuwe ondergrondse, audio-visuele ruimte. Hij kan de soortgelijke trap naar boven nemen, naar de coffeeshop op de entresol en naar de zalen op de tweede etage.

Of hij kiest voor het hellende grondoppervlak dat toegang geeft tot de twee grootste expositie-zalen en de twee kleinste kabinetten. Hij loopt dan ondet gekartelde relief van de trap door en ziet boven zich een klein, inwendig balkon, een ware vondst, vanwaar men uitzicht heeft op het park, het nabijgelegen Grand Palais en de Eiffeltoren.

De zalen kregen vesting-dikke wanden, monumentale doorgangen en een zwevend plafond, waarin de meest geavanceerde verlichtingsarmaturen zijn verstopt. De houten binnenluiken zijn vervangen door muisgrijze luxaflex en het parket is samengesteld uit zo'n lichte houtsoort dat het zichzelf bijna wegcijfert. De stalen trapleuningen liggen verzonken in de balustrades en wie goed kijkt, ziet dat ook aan de afhechting van de iets uitstekende zaalwanden door middel van marmeren plinten alle zorg is besteed.

Nu het voorgoed is gedaan met de krakende vloeren en de tochtige entree van weleer, wordt in meer en mindere mate nostalgisch teruggekeken op de functies van het gebouw, dat keizer Napoleon III ten koste van 175.000 francs voor zijn zoon liet optrekken op het 'Terrasse des Feuillants'. Zoonlief was niet de eerste adellijke tennisspeler, twee Franse staatshoofden lieten tengevolge van het tennisspel eeuwen eerder zelfs het leven op de baan. In 1316 verzuimde Louis X, wel 'de relschopper' genoemd, zich na afloop van het spel warm aan te kleden, zodat hij ziek werd en stierf. En koning Karel VIII botste in 1498 tijdens een wedstrijd fataal tegen een deur op.

Het tennisspel genoot eind vorige eeuw zo'n populariteit dat het Jeu de Paume aanzienlijk werd uitgebreid. Pas toen de belangstelling taande en Parijs dringend behoefte kreeg aan een 'tentoonstellingspaleis' veranderde het complex in 1909 in een 'kunsthal'. De eerste expositie van honderd 18de-eeuwse vrouweportretten, geschilderd door Engelse en Franse meesters, was een perfecte 'Belle Epoque-manifestatie', meldde het Franse blad L'Illustration.

In de jaren twintig trok vooral de Nederlandse schilderkunst veel publiek. Marcel Proust zag er Vermeers 'Gezicht op D en hij vond het 'het mooiste schilderij ter wereld'. Als dependance van het Musee du Luxembourg bood het complex later onderdak aan de niet-Franse kunstcollecties en tijdelijke tentoonstellingen, totdat de Duitse bezetters er vanaf 1940 de in beslag genomen Franse kunstcollecties liet opslaan. Veldmaarschalk Hermann Goring kwam elk oorlogsjaar hoogst persoonlijk een keuze maken uit de duizenden schilderijen. De 18de-eeuwse geschilderde dames hield hij zelf, de resd, voor zover niet kubistisch of fauvistisch, afgevoerd voor Hitlers collectie. Pas in 1947 werd het Jeu de Paume de eindbestemming van impressionistische en post-impressionistische legaten. Bijna veertig jaar lang hoorden ze daar als vanzelfsprekend thuis. Daarom is het nu even wennen aan de 'graffitti' van Jean Dubuffet.