India's faillissement met pijp en 'dhoti' afwenden

NEW DELHI, 19 JUNI. In een land met 850 miljoen inwoners en waarschijnlijk een politieke beroepsbevolking van enige miljoenen is het belangrijk dat een politicus iets heeft dat hem onderscheidt van de anderen. Voor Pranab Mukherjee, die de bijkomende handicap heeft klein van gestalte te zijn, is dat onderscheidingssymbool de pijp. India is geen land van pijprokers en Mukherjee's persoonlijkheidskenmerk is daarom goed gekozen, zeker in combinatie met zijn kleding.

Hij is gekleed in een dhoti - een gesteven wit katoenen lap die rond de heupen is gewikkeld en losjes tussen de benen dis vastgemaakt. Hier over heen draagt hij een kurta, het lange boordloze hemd dat over het lichaam valt. Het roken van een pijp in die kledij heeft hetzelfde effect als dat van een Europeaan in een pak met een das die een waterpijp rookt.

Maar Mukherjee's pijp is dezer dagen altijd koud, hoewel die gestopt naast hem ligt - zelfs ten overstaan van een batterij microfoons en een menigte persmensen op het hoofdkantoor van de Congrespartij.

Mukherjee is de officiele woordvoerder van de Congrespartij en hij heeft de laatste weken, die geheel gevuld worden door de drukte van een Indiase verkiezingscampagne, niet veel tijd om zijn pijp aan te steken.

Zelfs als hij een interview geeft op zijn kantoor legt Mukherjee, terwijl de journalist bezig is zijn bandrecorder op het bureau te installeren, zijn pijp er naast. Maar hij vergeet ze beide als hij wordt gevraagd naar het economische beleid van zijn partij en - vermoedelijk - dat van de nieuwe regering van India. MukherjH) is een oudgediende in het machtsspel. Hij was minister van financien tijdens de regering van Indira en aanvankelijk ook onder Rajiv tot hij plotseling werd afgezet en naar zijn geboortestreek West-Bengalen werd gestuurd, waar hij zo gedesillusioneerd was dat hij op een gegeven moment heeft geprobeerd een eigen partij op te richten. Pas na Rajivs nederlaag bij de vezingen van 1989 werd hij teruggeroepen naar Delhi.

En de laatste maanden is hij de belangrijkste economische denker en woordvoerder van de partij geworden.

Als men naar hem luistert is het niet moeilijk te raden hoe dit komt. Hij is de verpersoonlijking van de aanpak die typerend is voor de Congrespartij, en die de aanhangers 'filosofie' noemen, en de tegenstanders, even onjuist, afdoen als 'loze kreten'. Net als de partij en, als het er op aan komt, net als het land zelf gaat het om een reeks nstrijdige voornemens waarin de socialistische rhetoriek oude stijl gemengd is met modieuze slogans over markteconomie. De Congrespartij “blijft vastzitten aan het socialisme”, omdat deze ideologie “de eerlijke verdeling van rijkdom garandeert”. Het was ook noodzakelijk “om de opkomst van particuliere monopolies tegen te gaan.” Maar nu is de economische macht in het land voldoende gespreid om het gevaar van die monopolies te vermijden, en daarom is de Congrespartij bereid om prive kapitaal toe te laten in het domein van de staatsindustr. Desalniettemin zal India een 'gemengde economie'

blijven, waarbij de regering als scheidsrechter zal blijven optreden. Hetzelfde geldt voor buitenlandse investeringen. Mukherjee verdedigt India's schamele reputatie met betrekking tot het aantrekken van buitenlands kapitaal - in feite door het te ontmoedigen - door te zeggen dat in vroeger jaren de plaatselijke industrie te zwak was om weerstand te kunnen bieden aan de internationale concurrentie. “Nu”, zegt Mukherjee, “kunnen de normeor particuliere investeringen misschien worden versoepeld, omdat India sterk is en er geen reden is om bezorgd te zijn over destabilisatie van buitenaf”. Het is nog steeds 'misschien', en de gedachte dat internationale bedrijven 'misschien' niet zo geneigd zijn om hier te komen omdat ze elders met open armen worden verwelkomd, lijkt Mukherjee niet te hinderen: “Zij zijn heel genteresseerd om hier te komen, omdat wij namelijk zo'n grote markt te bieden hebben”.(De man die waarschijnlijk de volgende minister van financien van India zal worden is even laatdunkend als hij het heeft over het feit dat India gedwongen wordt om de bittere pil van een hervormingspakket van het IMF te slikken door de rampzalige financiele situatie waarin het verkeert. Het land staat op de rand van een bankroet - het heeft twee weken geleden twintig ton goud moeten belenen om aan zijn verplichtingen voor korte-termijn schulte kunnen voldoen - maar Mukherjee kondigt hooghartig aan dat “de Congrespartij niet afwijzend staat tegenover een nieuwe IMF-lening.”

Maar dat is waarschijnlijk alleen voor het oog van de buitenwereld, want binnenskamers geeft hij toe dat de “structurele vervormingen van de economie (begrotingstekort van bijna negen procent van het bruto nationaal produkt, negentien procent geldaanwas, valutareserves valuta die gedaald zijn tot de waarde van twee weken import, etc) hersteld moeten worden.” De voorwaarden die door het IMF zijn aangekondigd dienen dat doel ruimschoots, zegt hij.

Men hoeft alleen maar te luisteren naar de andere politici van zijn partij, of naar de communisten, om te beseffen dat Mukherjee nog steeds een gevaarlijke liberaal is. Als, zoals nu waarschijnlijk lijkt, de Congrespartij links moet vragen om parlementaire gedoogsteun, door het ontbreken van een absolute meerderheid, dan zal Mukherjee een moeilijke tijgemoet gaan om de communisten te overtuigen van de noodzaak een IMF-lening te krijgen. Voor hen is het IMF nog steeds een vies woord en in hun partijprogramma “waarschuwen zij de mensen voor de overgave aan het IMF”, omdat dit “beknotting van de economische soevereiniteit zou betekenen en het opgeven van de onafhankelijkheid”.

Men begint wat begrip te krijgen voor de tegenstrijdige verklaringen van Mukherjee die misschien alleen een manier zijn om de bittere pil te vergulvoor mensen die nog steeds denken dat de hele wereld erop uit is om India te pakken te krijgen om het in haar imperialistische net te vangen. Het hebben van een pijp en het dragen van een dhoti is misschien de perfecte vermomming voor een professor in de economie die moet overleven in een land dat soms redelijk tevreden lijkt om aan de kust te staan en de grote schepen van de wereld te zien passeren.