Dekker over het Europese onderzoeksprogramma Eureka; 'Subsidies niet van essentieel belang'

EINDHOVEN, 19 JUNI. Heeft het Eureka Evaluatie Panel zich eigenlijk wel aan zijn opdracht gehouden? Prof.dr. W. Dekker, president-commissaris van Philips en voorzitter van het panel, vindt van wel. “Voor zover mogelijk.”

Maar hij erkent dat de onderzoekscommissie voorbij is gegaan aan de vraag of Eureka heeft bijgedragen aan een verbetering van produktiviteit en concurrentiekracht van Europese industrieen op de wereldmarkt. Dat was toch een nadrukkelijk verzoek van de Eureka ministersconferentie aan het Panel: beoordelen wat er van dat nobele doel terecht gekomen is? Dekker, simpel: “Voor beantwoording van die vraag is het nog te vroeg.”

Hij wijst erop dat Eureka pas vijf jaar geleden van start is gegaan. “Daarneeft nog zeker twee jaar geduurd voordat het programma een beetje ging lopen. En het vergt nu eenmaal jaren voordat onderzoek tot introductie van marktrijpe produkten leidt.” Bemoedigend vindt Dekker dat zestig procent van de bedrijven die participeren in Eureka binnen vijf jaar een commercieel resultaat verwacht.

Toch schrijft het evaluatiepanel in zijn eindrapport met veel bravoure “dat Eureka heeft bijgedragen tot versterking van de concurrentiepositie van individuele Europese firma's door samenwerking in onderzoek en ontwikkeling tstimuleren en door de introductie van nieuwe technologieen te versnellen.” (..) “Het Panel heeft er alle vertrouwen in dat dit uiteindelijk een positief effect op de concurrentiepositie van Europa zal hebben.”

Dekker beaamt: “Dat is meer een verwachting dan resultaat van onderzoek.'

Een verwachting die overigens niet uit de lucht is gegrepen, zegt Dekker. Tenslotte stimuleert Eureka de internationale samenwerking van met name kleine bedrijven. En er vindtch “een pooling van resources”

plaats, een bundeling van middelen en kennis. Daarbij hoor je toch ook van de betrokken bedrijven, zegt Dekker, dat Eureka wel degelijk werkt.

Dat Eureka van groot belang is voor Europa heeft voor de evaluatiecommissie eigenlijk nooit ter discussie gestaan. Al bij de installatie van het panel vorig jaar september verklaarde voorzitter Dekker dat Eureka had bewezen “een waardevol raamwerk te jn voor marktgerichte technologische samenwerking”. Maar Dekker bestrijdt dat hij bevooroordeeld aan de evaluatie begonnen is. “Ik had me tevoren georienteerd. Ik voelde er niets voor om een Europees programma te beoordelen dat tot mislukken is gedoemd.”

De evaluatiecommissie heeft dan weliswaar bij voorbaat een welwillende houding aangenomen tegenover Eureka, dat heeft niet geleid tot een lofzang. De optimistische bewoordingen waarin het rapport is geschreven, geven alleen die positieve grondhouding weer. Tussen de regels door schetst het el een ontluisterend beeld van Eureka in de praktijk.

De kwaliteit van de projecten laat nogal eens te wensen over. De marktgeorienteerdheid van projecten is niet altijd duidelijk.

Procedures blijken contraproduktief te werken. Veel samenwerkingsverbanden zijn meer taktisch dan strategisch. Bij de subsidieverstrekking heerst grote willekeur.

Dekker kan zich wel vinden in deze waslijst van kanttekeningen. Hij onderschrijft dan ook grotendeels de kritiek die de Raad vaAdvies voor het Wetenschapsbeleid vorig jaar ventileerde: dat Eureka onvoldoende structuur en controle kent en te weinig waarborg biedt voor kwaliteit.

Maar Dekker is het niet eens met het oordeel van de Raad dat het technologieprogramma te versplinterd is. Die versnippering is nu eenmaal het gevolg van de federatieve, decentrale opzet van het programma, zegt Dekker, en daarmee ook zijn kracht.

Ook deelt Dekker niet de angst de Raad dat Eureka uiteindelijk in chaos ten onder zal gaan. Wel is het nodig “de discipline stevig aan te trekken”, zegt Dekker, “te streven naar meer samenhang”. Daartoe heeft het Panel een groot aantal aanbevelingen gedaan. De commissie pleit onder meer voor initiering van meer grote, strategische projecten, zoals bij high definition tv. Dekker denkt daarbij bij voorbeeld aan projecten op het gebied van auto's, chips of biochemie.

Wat Dekker verbaasd heeft, is dat overheidssubsidies voor bedrijven ogstens een bijkomende reden zijn om mee te doen aan Eureka.

“Financiele ondersteuning is veel minder belangrijk dan wij hadden gedacht.” Alleen bij het van de grond krijgen van projecten blijken subsidies als belangrijke hefboom te werken. Als een project eenmaal loopt, spelen ze een ondergeschikte rol. Maar het Panel heeft aan dit gegeven geen conclusies willen verbinden, zegt Dekker. De commissie pleit er niet voor om subsidies tot de opstartfase te beperken.

Volgens Dekker staat het be)lang van Eureka voor Europa buiten kijf. Maar, zegt hij, dit technologieprogramma alleen is onvoldoende om de concurrentie uit de VS en Japan het hoofd te bieden. Daarnaast zou Europa een samenhangende industriepolitiek moeten voeren. Dekker: “Daar is op dit moment geen sprake van.”

De president-commissaris van Philips erkent dat dat het niet makkelijk is om al die zoteenlopende nationale opvattingen over industriebeleid onder een Europese noemer te brengen. Van Groot-Brittannie dat “spastisch reageert op alles wat maar naar industriebeleid zweemt; intussen is hun industrie volledig in Japanse handen”. Van Frankrijk dat “sterk dirigistisch denkt”. Van Italie dat zich “heel dualistisch opstelt”. En van Duitsland dat “tot dusverre een heel eigen nationale aanpak heeft gevolgd'.

“Maar het moet toch mogelijk zijn om al die landen op een lijn te krijgen, zonder dat het beleid teveel verwaterd”, meent Dekker. ,ver vijf jaar is het te laat.”