CDA-senator heeft lot kabinet in handen

DEN HAAG, 19 JUNI. Peter B. Boorsma, hoogleraar economie aan de universiteit van Twente en financieel specialist van het CDA in de Eerste Kamer, heeft het lot van het kabinet in handen. Via uiterst kritische vragen aan het kabinet heeft hij gisteren laten doorschemeren dat hij een verhoging van het huurwaardeforfait - een belasting voor huiseigenaren - eigenlijk onzinnig vindt. Maar betekent dat ook dat het Eerste Kamerfractie van het CDA op 2 juli tegenstemt? Boorsma houdt de boot af: “Die conclusie mag u niet trekken.”

Voor coalitiepartner PvdA ligt deze kwestie uiterst gevoelig. Bij de tussenbalans-ombuigingen van februari besloot het kabinet de huursubsidies te verminderen. De PvdA ging akkoord met een jaarlijkse verhoging van de huren met vier keer 5,5 procent, mits ook de huiseigenaren-bewoners een bijdrage zou leveren aan de sanering van de rijksfinancien. Twee weken geleden bleek dat een ruime meerderheid in de Tweede Kamer, inclusief de fracties van CDA (een lid uitgezonderd) en ook D66, dit standpunt deelt.

De fiscus beschouwt het eigen huis deels als belegging waarbij een deel van het woongenot als immaterieel inkomen wordt gewaardeerd (aan de hand van vergelijkbare huren). Op basis van allerlei discutabele veronderstellingen is dit huurwaardeforfait nu bepaald op 1,8 procent van de waarde van het huis in bewoon staat. Het kabinet wil dit nu geleidelijk verhogen tot 3,3 procent in 1994. Wie in een eigen huis van 120.000 gulden woont is daardoor al gauw jaarlijks duizend gulden extra kwijt.

Een eerste poging van het kabinet om het huurwaardeforfait te verhogen werd al in januari 1990 door de CDA-Eerste Kamerfractie getorpedeerd.

Toen koppelde het kabinet een hoger forfait nog aan een lagere overdrachsbelasting en was van budgettaire dwang geen sprake. Toch spreekt Boorsma nu van “een herhaling van zetten”.

Voor de verhoging van het benzine-accijns heeft hij begrip, want daarbij worden duidelijke argumenten gebruikt. Maar bij het huurwaardeforfait zouden die ontbreken. Het kabinet verdraait de systematiek waarmee het forfait tot dusver werd berekend en legt nu ook nog, ten onrechte, een koppeling met de woonlasten, in casu de huren.

Volgens de CDA-senator zal, als de huren stijgen, ook de waarde van de koopwoningen omhoog gaan. En dat betekent dat heedrag van het huurwaardeforfait ook bij een gelijkblijvend percentage omhoog gaat.

Ook zet hij vraagtekens bij de feitelijke huurstijging in de komende jaren, gelet op het verzet van sommige woningcorporaties. Bij een lagere reele huurstijging zou ook het forfait minder omhoog mogen gaan. Het is slechts een greep uit het brede scala aan bezwaren die Boorsma in zijn schriftelijke vragen aanvoert.

Toch wordt de soep waarschijnlijk niet zo heet gegeten als zij nu wordt opgediend. De verwijzing vanorsma naar de beginperiode van het kabinet is in ieder geval veelzeggend. Staatssecretaris Elske ter Veld diende toen een wetsontwerp over de AAW in dat door het CDA werd gekraakt. Boorsma: “Toen kwam vice-premier Kok naar deze Kamer en die dreigde met een kabinetscrisis. Het CDA ging toen overstag. Ik sluit niet uit dat zoiets weer gebeurt.”

Als de CDA-senatoren op 2 juli alsnog overstag gaan, wat dan? Het wetsontwerp noemt als ingangsdatum uli. De Eerste Kamer, die vaker dan de Tweede Kamer wordt gedwongen tot haastwerk, heeft zich altijd met hand en tand verzet tegen de invoering van fiscale wetsvoorstellen met terugwerkende kracht. “Maar”, zegt Boorsma, “dit leerstuk hoeft niet dogmatisch te worden toegepast. Invoering per 1 juli kan best, al moet je oppassen dat je je niet op een hellend vlak begeeft. Maar ik heb begrepen dat de staatssecretaris reeds aan een novelle werkt waardoor de wet per 1 augustus zou kunnen worden ingevoerd.”

Al met al rijst toch de vraag of Boorsma het huurwaardeforfait niet liever geheel zou willen afschaffen. Hij reageert resoluut: “Persoonlijk ben ik daar niet tegen. Maar ach, je hebt in het verleden zoveel soorten belastingen gehad, op paarden, op ramen, noem maar op. Het huurwaardeforfait zou echter wel duidelijker moeten zijn, dus eenvoudiger.”