Berlijn - hoofdstad van gemengde gevoelens

BERLIJN, 19 JUNI. De Tauentzien-apotheek heeft een verontwaardigde etalage ingericht. Oude foto's laten de plaats zien waar de winkel eind negentiende eeuw begon, in het toen juist-gebouwde 'Nieuwe n' van Berlijn. Dan de barak waarin de zaak op de naoorlogse herbouwing van de weggebombardeerde straat wachtte. En ten slotte de huidige behuizing, waarvan de eigenaar de apotheek nu de huur heeft opgezegd. Hij weet voor zijn winkelruimte een lucratiever bestemming, en hij is de enige niet: in heel West-Berlijn moeten middenstanders hun winkel sluiten, meestal omdat de eigenaar - een briljante toekomst voor de Duitse hoofdstad vermoedend - de hueft verviervoudigd.

Huurverhoging: een schrikbeeld dat veel Westberlijners verbinden met het begrip 'Hoofdstad Berlijn'. Het is niet hun enige zorg, aan de vooravond van het debat in de Bondsdag over de hoofdstad-kwestie.

“Kun je nagaan hoe het straks zal zijn, als de regering hierheen komt”, klaagt een getergde automobilist die in de file moet wachten omdat voor de CVSE-conferentie die vandaag in het Rijksdaggebouw is begonnen een aantal donde wegen is afgezet.

“Er zijn nu al geen huizen, hoe moet het straks?” verzucht een ander. Kunstenaars klagen dat ze wegens huurverhoging hun atelier moeten opzeggen. Achter de schermen voert het Berlijnse gemeentebestuur campagne voor een landelijke wetswijziging, waarbij ook huurverhoging van bedrijfsruimten aan regels wordt gebonden.

Luidruchtige tegenstanders van 'Hoofdstad Berlijn' zijn te vinden in de alternatieve scene in het Westberlijnse Kreuzberg; ze zien zich door de stijgende huren en het wegvallen van tal van sociale sues in hun bestaan bedreigd. 'We love Bonn', stond er deze week op spandoeken bij hun opmerkelijk rustig verlopen betoging, waarvoor een omvangrijke politiemacht op de been was.

Bij Berlijners die niet betogen leven gemengde gevoelens over het onderwerp 'hoofdstad'. Grondwettelijk is Berlijn dat overigens nu al, maar in het spraakgebruik is er geen verschil tussen 'hoofdstad' en 'regeringszetel'. Berlijners lijken over het algemeen wel vo inlossing van decennia volgehouden Westduitse beloften, dat het verblijf in Bonn van de regeringsorganen slechts tijdelijk zou zijn. “Het is een schande”, meent een slijter over de thans over de hoofdstad-kwestie gevoerde debatten. Vooral in Oost-Berlijn, waar men net als elders in Oost-Duitsland een andere voorstelling had van de Duitse eenheid dan nu de praktijk blijkt, is het niet moeilijk mensen te vinden die menen wederom 'bedrogen' te zijn.

En velen delen de mening van het Berlijnse gemeentebestuur, de Senaat, dat de stad een impuls in de vorm van regeringsorganen dringend nodig heeft. Het aantal bedrijven dat sinds de hereniging van Berlijn investeringen en nieuwe werkgelegenheid heeft aangekondigd valt tot nu toe nogal tegen. In tegenstelling tot de Bondsrepubliek heeft West-Berlijn economisch nauwelijks van de Duitse eenheid geprofiteerd, terwijl in Oost-Berlijn spoedig vijftig procent van het arbeidspotentieel werkloos zal zijn. West-Berlijn zal eerder zelfde buikriem moeten aanhalen, na het wegvallen van zoveel decennia ruime subsidies voor de voorpost van het Vrije Westen. Er moet in 1992 alleen al op de gemeentelijke begroting drie miljard D-mark worden bespaard, en er bestaan nog niet officieel bekendgemaakte plannen voor het drastisch terugbrengen van het aantal gemeenteambtenaren. Berlijn heeft er daar veel van: 63 per duizend inwoners, tegen Hamburg 46.

De gemengde gevoelens zijn er wellicht debet aan dat er in Berlivan een pro-Berlijn-stemming dezer dagen weinig te merken is. In het rivaliserende Bonn wemelt het van de stickers met 'Ja voor Bonn', organiseert de gemeente druk bezochte demonstraties en menselijke ketens. In Berlijn zijn op initiatief van de taxicentrale op een middag duizend ballonnen opgelaten met een boodschap voor de parlementariers in Bonn, die niet ter bestemder plekke zijn aangekomen. En verder spelen lokale radiostations op gezette tijden een door plaatsee grootheden gezongen pro-Berlijnschlager, waarvan de smakeloosheid nu al een geliefd onderwerp voor borrelpraat is: “Een miljoen harten voor deze stad, een zee van hoop, een brug naar de wereld.” Een particuliere stichting plaatst in kranten kleine advertenties waarin prominenten zich voor Berlijn uitspreken. Gebrek aan respons heeft de Senaat doen besluiten voortijdig een eind te maken aan een soortgelijke, meer dan vier miljoen kostende reclamecampagne, nog voordat Henry Kissinger en Liza Minelli aan de hoofdstad-kwestie inttionaal cachet konden verlenen.

De Senaat heeft zich gisteren in een plechtige brief voor het laatst voor het hoofdstad-debat tot de Bondsdag gewend, met het verzoek om de eerder gemaakte beloften na te komen en van Berlijn “zolang een symbool van verdeeldheid, een symbool van eenheid te maken”. Het wemelt van de fora en symposia waarop architecten en projectontwikkelaars de wildste plannen lanceren voor drastische herschikking van de Berlijnse binnens vooral van de lege ruimten waar eens de Muur stond en van het na de oorlog slechts voor de helft weer volgebouwde centrum in Oost-Berlijn.

En desnoods breken we trouwens gewoon weer af: de Senaat heeft net het groene licht gegeven voor de afbraak van half voltooide winkelpassages aan de Friedrichsstrasse. De kranen, begin dit jaar nog in gebruik voor de bouw, kunnen blijven staan voor de sloop. Thans is een winkelcentrum naar Westers model gepland aan deze straatwaar de grond de duurste van Berlijn lijkt te worden.

Het in de jaren vijftig afgebroken stadsslot, eens residentie van de keizer, willen velen daarentegen weer opbouwen. Daarvoor moet het gebouw van het parlement van de DDR, een uit de jaren zeventig daterende constructie die in de volksmond 'Palazzo Prozzo' heette, dan weer wijken. Het gebouw is trouwens sinds september wegens asbest-gevaar gesloten. Daar kunnen Bondsdag, Bondsraad of regering dus in ieder geval niet in. Maar geen nozegt de Senaat, het wemelt in Oost-Berlijn van de leegstaande kantoorruimte.

Daarmee bedoelt de Senaat dan in de eerste plaats de ministeries en andere spoorloos ontbonden bestuursorganen van de DDR, waarvan de soberheid de bestuurders uit Bonn vermoedelijk zal verrassen. Niet voor niets tenslotte zijn de Senaat en het stadsparlement van Berlijn, na de hereniging van de stad vorig jaar, niet jubelend ingetrokken in het Oostberlijnse raadhuis, een roodbakstenen uw dat tot de deling van de stad het centrale raadhuis was. Integendeel, het stadsbestuur koos voor het eigen comfortabele 'provisorium', het raadhuis van het stadsdeel Schoneberg, dat sinds de deling van de stad het stadhuis van West-Berlijn was. In de toekomst hoopt men overigens in Oost-Berlijn de voormalige Pruisische Landdag, nu nog een halve rune, te betrekken.

Met de Westberlijnse ambtenaren in de formeel een bestuurlijke eenheid vormende stad is het niet veel beter gesteld. Tussen Senaat en ambtenarenbonden wordt thans hard overleg gevoerd over de vraag in hoeverre een Westberlijnse ambtenaar kan worden verplicht in het oostelijke deel van de stad achter een bureau plaats te nemen. De bonden achten dit onaanvaardbaar.