Zaalvoetbal

Laat ik beginnen met te stellen dat het een stuk logischer zou zijn geweest indien de beslissing rond de strijd om de landstitel van de voetballers via een beslissingswedstrijd zou zijn verkregen. Wie na 34 wedstrijden exact evenveel winstpuntenft behaald als een van de concurrenten, mag zich gelijkwaardig noemen. En dan is dat ene extra duel op neutraal terrein een keurige oplossing. Maar was het dan zo'n slecht idee om het doelsaldo eventueel bij de uitkomst te betrekken? Op zichzelf niet. Wie bijvoorbeeld 25 doelpunten meer bijeen fokt dan de concurrent, mag dit voordeel best beloond zien met een extra winstpunt, men verschil van twee is daarvoor te weinig. Laten we de reglementen dus aanpassen en de grens op bijvoorbeeld tien doelpunten stellen.

Achteraf kun je zeggen dat Ajax de titel tegen SVV heeft verspeeld en dat dit een kwestie van verschil in mentaliteit is geweest. Ook tegen Vitesse viel duidelijk te constateren dat enkele Amsterdammers geen kans zien tot de bodem te gaan.

Zij lopen op een veld van 110 bij 70 meter, maar gedragen zich als zaalvoetballers. Bje aannemen ... even rondkijken ...

balletje breed ... het ziet er verzorgd uit en dat de heren techniek bezitten is zeer duidelijk. Nu is techniek de basis van het spel en dus zouden ze op de goede weg moeten zijn, maar als er zo weinig inspiratie bijkomt en het vermogen ontbreekt om tot het uiterste te gaan, dan ben je geen kampioensploeg. Richard Witschge en Frank de Boer zijn typische zaalvoetballers. Het gaat tamelijk zuiver toe, maar precies volgens het instructieboekje en in een te laag tempo om iets af te dwingen. Volgens zijn voorzitter is Witschge een “wereldvoetballer”, maar dan toch zeker slechts van de kleine wereld welke Van Praag in gedachten had toen hij die merkwaardige uitspraak deed. In een heel seizoen maakte Witschge geen enkel doelpunt.

Betrokkenen zullen het blijven ontkennen, maar wie als nauwelijks twintigjarige al een half miljoen gulden per jaar verdient, voelt niet sterk de drang om zich gigantisch in te spannen. De allesoverheersende behoef een kampioenschap af te dwingen ontbreekt. Men is bekend en bijna beroemd en het leven is verrukkelijk. Vervelend alleen dat er tegenstanders zijn die soms een spaak in het wiel steken. Maar dat is de volgende dag alweer vergeten. Als Bryan Roy aan het eind van dit seizoen vindt dat hij redelijk goed heeft gespeeld, dan zou hij toch moeten zitten met het rampzalige feit dat bijna geen van zijn voorzetten de voet of het hoofd van zijn meders bereikt heeft - omdat zij maat missen. Hetzelfde in zo mogelijk nog sterkere mate geldt voor John van 't Schip. Het ziet er leuk uit wat hij doet tot je je realiseert dat geen van die voorzetten het voorhoofd van een mede-aanvaller bereikt. Laat ik geen namen van oude vedetten noemen die dat wel konden, want de moeilijkheidsgraad is toegenomen.

Niettemin heeft men weinig aan speelse vleugelspitsen die nogal eens de achterlijn bereiken als vervolgens de juiste voortzetting keer op keer ontbreekt. Verdedigers wijzen er n een halve snik in de stem op dat sommige vedetten “nog zo jong” zijn. Tja, dat is een schijnargument. Er lopen geen zeventienjarige debutantjes in de basis-elf van De Meer en verder is jeugd geen kwestie van leeftijd, maar eerder een geestestoestand, waarin sommigen heel lang kunnen verkeren.

Ajax is Amsterdam, waar de jongelui ook vandaan komen. Stel dat die stad verkast werd naar Newcastle of Sunderland en dat alle Ajax-cracks de mijnen inmoesten, tenzij ze maximaalen presteren. Het is een wilde gedachte, maar op mijn woord van Spaans edelman, voor sommige hoofdstedelijke spelevaarders zou het goed zijn!