Te veel schijnheiligheid in debat over Bonn- Berlijn

Hoogstaand kun je het debat onder Duitse politici, of regeringsorganen uit Bonn nu wel of niet naar Berlijn moeten verhuizen, moeilijk noemen. Achter fraai klinkende argumenten van tegenstanders van verhuizing Bonn biedt aansluiting bij Europa, uit Bonn is de meest-democratische staat in de Duitse geschiedenis voortgekomen lijken toch vooral praktische overwegingen schuil te gaan: wat is straks de verkoopprijs van mijn geriefelijke villa bij Bonn?, moeten we straks tussen die Oostduitse paupers gaan wonen?

De argumenten doen soms regelrecht komisch aan. Blijven in Bonn, dat bij de naoorlogse deling slechts als een provisorisch regeringscentrum bedoeld was, zou de aansluiting bij de rest van Europa garanderen, omdat Brussel en Straatsburg immers vlakbij zijn. Alsof politieke contacten nog steeds per diligence worden onderhouden en de afstand Brussel-Berlijn voor de postduif te groot is. Berlijn daarentegen zou voor een Duitsland als Middeneuropese grootmacht staan alsof we hier voortdurend de hete adem van Polen en Russen in de nek voelen. Dit territoriaal-strategisch filosoferen is bepaald een Duitse specialiteit: ik sprak laatst met houders van strandtenten op het noordduitse eiland Rugen, die meenden dat hun eiland een brug tussen Duitsland en Scandinavie moet slaan.

Er is een goed argument tegen Berlijn als regeringszetel en dat is de gedachte dat Duitsland een federatie is zodat een al te grote concentratie van macht en bestuursorganen in een stad uit den boze is. Deze gedachte heeft veel aanhangers in de voormalige DDR waar men decennialang heeft moeten aanzien hoe de provincie werd verwaarloosd ten bate van de socialistische uitstalkast Berlijn. Maar daarom gaat het niet bij het Bonn-Berlijn-debat, dat immers vooral het behoud van de concentratie van organen in Bonn als onderwerp heeft.

Afkeer van Berlijn, of van de grote stad in het algemeen, is geen nieuw verschijnsel in Duitsland. Berlijn, dat in de tweede helft van de vorige eeuw groeide van enkele honderdduizenden inwoners tot de vier miljoen die het nog steeds bevolken, heeft steeds zijn verketteraars gekend. De grote stad zou onduits zijn, te ver af staan van het werkelijke Duitsland en de Duitse "Kultur', "verjoodst' zijn.

De ideele aantrekkingskracht van Berlijn is nooit zeer groot geweest hoogstens onder intellectuelen als een plaats van "moderniteit'. Nog altijd verwijzen sprekers over Berlijn meestal naar de jaren twintig, die geacht worden een "gouden tijd' voor de stad te zijn geweest, maar in politiek en economisch opzicht natuurlijk zeer problematisch waren.

Hoe maakt de stad het nu, een halfjaar na de hereniging van Oost- en West-Berlijn? Slecht, net als de rest van Oost-Duitsland. Nu je de stad, ongehinderd door de Muur, van oost naar west kunt doorkruisen valt op hoe omvangrijk deze wel als "grootste verzameling huurkazernes ter wereld'

beschreven gemeente eigenlijk is. De stand van zaken in het oostelijk deel is het meest schrikbarend: het meerendeel van de beroepsbevolking is er al werkloos of zal dat spoedig worden. Nog wonen de Oostberlijners waar ze altijd al woonden, maar er is niet veel fantasie voor nodig om in al die vervallen negentiende eeuwse wijken toekomstige Bronxen te zien. Wie blijft op den duur wonen waar geen hoogwaardig werk is? De speculanten staan al te dringen.

Aan het deels puissant rijke West-Berlijn zijn de problemen minder af te zien, maar ook hier rijst na het wegvallen van de subsidies voor de uitstalkast van het "vrije Westen' de vraag welke bestaansgrond de stad nu eigenlijk heeft. In ieder geval is West-Berlijn nog het centrum van alle activiteit (en werkgelegenheid). Door het Oostberlijnse centrum, rondom de Alexanderplatz, kun je 's avonds een kanon afschieten en wat er was aan vertier aan deze kant van de stad, heeft de poorten inmiddels al bijna gesloten.

Berlijn dankt zijn enorme omvang aan een samenloop van omstandigheden: de Duitse eenheid van 1871, waardoor de hoofdstad van Pruisen ook de hoofdstad van een machtig keizerrijk werd en de Industriele revolutie, in een deel van Duitsland dat overwegend agrarisch georienteerd was en traditioneel een groot bevolkingsoverschot produceerde waarvoor in de landbouw geen plaats was.

De Industriele revolutie uit de vorige eeuw, met haar arbeidsintensieve produktie, zal zich niet herhalen, dat is zeker. Men hoopt nu op een toekomst voor Berlijn als centrum van dienstverlening en ook dat zal moeilijk zijn in een deel van Duitsland waar de arbeidsproduktiviteit en arbeidsmoraal zo lang zoveel lager hebben gelegen dan in West-Duitsland. Aan de andere kant kent de geschiedenis veel voorbeelden waarbij uit een achterstand een voordeel kon worden ontwikkeld. Zonder een externe stimulans, zoals de overbrenging van regering en parlement naar Berlijn kunnen zijn, lijkt deze nu stervende wereldstad het echter moeilijk te kunnen stellen.

Wat in ieder geval van de Duitsers wordt verlangd, en van de Oostduitsers dezer dagen in het bijzonder, is een geweldige sociale mobiliteit. Wie als Oostduitser een toekomst wil hebben moet eigenlijk opnieuw leren leven, op alle terreinen.

Dar betekent vaak dat iemand werk moet aannemen dat hem volkomen vreemd is, maar ook dat hij moet verhuizen en zich aanpassen aan een arbeidsritme dat hij niet kent.

Iedereen in Bonn lijkt dat vanzelfsprekend te vinden en dat is maar goed ook, want het is de enige mogelijkheid om de mate van welstand te bereiken die de Oostduitsers van de aansluiting bij de Bondsrepubliek verwachtten. Maar als van de politici in Bonn een minimum aan sociale mobiliteit wordt gevergd, het besluit namelijk om over een periode van acht a tien jaar misschien van woonplaats te veranderen, laten velen van hen het afweten.

Het is niet de eerste keer in het proces van de Duitse eenheid dat triviale Westduitse belangen meer gewicht in de schaal blijken te leggen dan halszaken in Oost-Duitsland, waarvan de levensvatbaarheid van de miljoenenstad Berlijn er toch zeker een is. Alle bestuurderen in Oost-Duitsland worstelen dagelijks met de "Teruggave-wet', die Westduitsers recht geeft op de teruggave van na 1949 in de DDR onteigend of verloren geraakt bezit. Onder de problemen bij de economische opleving in Oost-Duitsland is deze zelf verzonnen belemmering een van de voornaamste. Niemand gaat immers investeren in objecten waarvan het eigendom niet vaststaat en in veel gevallen staan er nog jaren jurdische procedures voor de deur. En dat allemaal terwille van eigenaren meestal erven van degenen die het bezit hebben verloren die hun bezit in Oost-Duitsland al sinds lang hadden afgeschreven.

Nee, Oostduits belang weegt voorlopig niet zwaar in het nieuwe Duitsland en gezien de daadwerkelijke economische krachtsverhoudingen is dat misschien ook niet zo verwonderlijk. De geschiedenis kent nu eenmaal weinig medelijden met verliezers. Maar een beetje minder schijnheiligheid en meer verantwoordelijkheidsgevoel in het Bonn-Berlijn-debat, zouden niet misstaan.