Noord-Holland tegen convenant IPO-VNG; 'Verdeling kunstengeld zal kunstenaars schaden'

HAARLEM, 18 JUNI. De onderlinge afspraken over de herverdeling van de geldstroom voor beeldende kunst tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) zullen leiden tot een grote inkomensachteruitgang van veel kunstenaars. Dit vrezen de provincie Noord-Holland, een aantal kleinere gemeenten en de kunstenaarsbonden.

Begin dit jaar werd tussen de gemeentes en provincies een convenant ondertekend over de herverdeling van de geldstroom voor het beeldende-kunstbeleid naar de lagere overheden.

Sinds de afschaffing van de BKR wordt door WVC jaarlijks 35 miljoen gulden voor het beeldende-kueleid van de lagere overheden uitgetrokken. Hiervan gaat 15 miljoen rechtstreeks naar de vier grote gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. Die mogen er zelfstandig over beslissen. Twintig miljoen gaat naar de provincies en wordt besteed aan kunstuitleen, stipendia voor beeldend kunstenaars en het aankopen van werk of opdrachtverstrekking aan kunstenaars door gemeenten. Over die jaarlijkse 20 miljoen is het convenant tussen VNG en IPO afgesloten voor de Kunslanperiode 1993-1996.

VNG en IPO hebben afgesproken dat het zwaartepunt van de provinciale subsidie komt te liggen bij gemeenten met meer dan 65.000 inwoners. Deze krijgen in ieder geval een gulden per inwoner per jaar voor een beeldend-kunstbeleid. Dat betekent dat naast de vier grote steden nog eens 41 grotere gemeenten verzekerd zijn van een structurele bijdrage van de provincie.

Gemeenten met minder dan 65.000 inwonekrijgen geen geld per inwoner toegewezen voor kunstbeleid, maar blijven afhankelijk van de provinciale overheid en van wat er nog aan andere subsidies over is.

Als het convenant begin 1993 in werking treedt, en de guldens direct naar de gemeenten zijn doorgesluisd, blijft er voor de provincies nog 14 miljoen over om naar eigen inzicht te besteden voor kunstbeleid.

De gemeenten met minder dan 65.000 inwoners zijn bang dat er met deze verdeling voor hen weinig of niets van de provinciale subsidie over blijft.

Na ondertekening vat convenant kwam de provincie Noord-Holland in verzet.Frieda van Diepen, gedeputeerde voor culturele zaken van de provincie: “We kunnen nu nog autonoom beslissen wat we met ons geld doen. Wij geven bij voorbeeld 50 procent subsidie op iedere kunstaankoop van een gemeente, ongeacht het aantal inwoners. Dat betekent dat als een gemeente aktief is en veel aankoopt, die ook veel subsidiegeld krijgt. Hoe aktiever een gemeente is, hoe meer er voor cultuur naar zo'n gemeente toegaMet de nieuwe regeling komen in Noord-Holland nog maar een zestal gemeenten in aanmerking. En daar zitten gemeenten bij die tot nu toe heel weinig aan cultuurbeleid hebben gedaan. Die gemeenten krijgen nu op grond van hun inwoneraantal een bedrag. Aangezien ik er vanuit ga dat ons totale bedrag van 2,6 miljoen gelijk blijft, kom ik in de knel met mijn verdeling.” Het is, aldus Van Diepen, nog niet zeker of de minister de totale geldstroom voor beeldende kunst naarlagere overheden op het totaal van 35 miljoen handhaaft.

De provincie heeft er moeite mee dat er bij de verdeling niet gekeken wordt naar wat zo'n gemeente doet op beeldend-kunstterrein: “De ene gemeente heeft wel een aktief kunstbeleid, de andere niet. Je kan natuurlijk makkelijk stellen dat die inaktieve gemeenten met een mooie zak geld voor kunst meer gaan doen voor de beeldende kunst. De vraag blijft of an structureel iets mee gebeurt of het geld in een noodlijdend museum gestopt wordt? Daar mag een gemeente vrij over beslissen. Ik vind het jammer dat de bestaande infrastructuur wordt afgebroken. En in het convenant dat er nu ligt, komen de gemeenten met minder dan 65.000 inwoners duidelijk tekort. In Noord-Holland is dat zeer nadelig voor aktieve gemeenten als Bergen en Hoorn.”

“Dit convenant betekent een sterke inkomensachteruitgang voor onze kunstenaars,” zegt de burgemeester van Bergen (N.H.), J.

Ritsema. Hij vreest dat als gevoln het convenant een 'verkokering' van het gemeentelijke aankoopbeleid optreedt.

“Dat houdt in dat een gemeente buiten de streek niets van een Bergense kunstenaar zal kopen. Maar hoe werkt het in de praktijk? Als ik iets van onze 35.000 gulden buiten de gemeente wil besteden, zegt de raad meteen: Kom nou, dat is voor onze kunstenaars: inkomensbevorderend moet het zijn.

Artistiek gezien is iedereen er tegen, maar de politiek beslist anders. En daar worden onze kunstenaars de dupe van.''

Het steekt Ritsema Noord-Holland pas na ondertekening van het convenant protest aantekent. “Krokodilletranen”, noemt hij de houding van de provincie. “Voor ons protest is de provincie nooit gevoelig geweest. Bergen geeft gemiddeld 70.000 gulden per jaar aan beeldende kunst uit: gemiddeld vijf gulden per inwoner. We leggen zelf (f) 2,50 per inwoner op tafel en daar komt dan nog een rijksdaalder provinciale subsidie bij. 70.000 gulden betekent voor mij 1000 gulden per kunstenaarverhouding, gezien de grootte van 14.000 inwoners, geven we erg veel geld uit aan kunst.”

Frieda van Diepen noemt het convenant een gevoelige klap voor de kunstenaars. Voor Noordhollandse kunstenaars ligt het extra problematisch omdat er naar verhouding veel meer kunstenaars wonen dan in andere provincies. “Ze kunnen natuurlijk hun werk in andere gemeenten aanbieden. Maar mijn ervaring is dat er nogal een behoudend beleid wordt gevoerd en in de eerste plaats werk van kunstenaars uit hun eigemeenten wordt gekocht.” Ze zegt dat de provincie 'contre coeur' met het IPO-VNG-convenant akkoord gegaan is, uit angst dat de provincies alle zeggenschap over het beeldende-kunstgeld zouden verliezen.

Hans Oosters en Cor Wijn van het VNG, voorstanders van het convenant, vrezen het gemeentelijk protectionisme niet: “Wij denken dat het protectionisme bij gemeenten juist minder sterk is dan bij de provincies. Een onderzoek van WVC heeft uitgewezen dat juist de provincies heel sterk genzijn om het streek-eigene te benadrukken. En dus mensen uit die regio te vragen.”

“Het vervelende van de kritiek uit Noord-Holland is dat ze de indruk wekken dat het model, zoals het er nu ligt, geen ruimte meer over laat aan de provincie en dus aan de kleine gemeenten. Dat is absoluut niet waar. Er blijft nog altijd minimaal 57 cent per inwoner over om naar eigen inzicht te besteden. Alleen die gulden per inwoner voor grote gemeenten ligt vast. Met wat creatieve oplossingen en misschien wat extra pciale middelen is er wel uit te komen.” zegt Oosters.

De Kunstenbond FNV toont zich ook niet bijster enthousiast over het convenant. Zij ziet, evenals de Beroepsvereniging van Beeldend Kunstenaars, liever een toekenning van gelden op beleidsmatige gronden. De rest van het geld zou dan verdeeld moeten worden aan de hand van het inwoneraantal.