Nederland kan beslissing over uitbreiding aantal atoomcentrales niet langer uitstellen; Ondanks gevaren is kernenergie acceptabel

In de afgelopen tweeenhalve week verschenen in deze krant zeven artikelen over de internationale stand van zaken met de nucleaire energieopwekking en over de voor- en nadelen vandien. In een slotartikel maken onze techniekredacteur en onze energieredacteur de balanp. Hun eerdere artikelen werden gepubliceerd op 1, 5, 7, 10, 11 en 13 juni.

Heeft een hoogontwikkeld industrieel land als Nederland eigenlijk een keus als het gaat om de vraag: meer kernenergie of niet? We willen immers in overgrote meerderheid ons welvaartspeil handhaven en we weten dat onze bevolking verder zal groeien. Economische groei is dus het wachtwoord, maar tegeltijd willen we een schoner milieu. De keuze van energiebronnen is daarbij van essentieel belang.

Veel landen in een vergelijkbare positie hebben na een eerste voorzichtig begin consequent meer atoomcentrales voor elektriciteitsopwekking gebouwd. In Nederland konden wij die keuze, nadat Dodewaard en Borssele op het elektriciteitsnet waren aangesloten, ontlopen omdat we sinds de jaren vijftig steeds meer aardgas onder de Groningse bodem vonden. Het kernenergieprogramma werd op laag pitje gehouden. De politiek speelde daarin sterk mee. 'Links' wilde Dodewaard en Borssele sluiten, maar het kabinet-Den Uyl zag in de jaren zeventig na enige studie niets in een kapitaalvernietiging van miljarden die daarmee gemoeid zou zijn.

Nu staat er een hele rij kerncentrales in onze buurlanden. Als wij stroom tekort komen wordt wordt die vandaar vrolijk geimporteerd. We denken liever niet aan de potentiele gevaren, hoewel ook voor Nede aan de bedrijfsvoering van deze centrales in principe risico's zijn verbonden. Nog steeds kunnen we de keuze voor ons uitschuiven en in het Europa zonder grenzen een eigen, nationaal energiebeleid voeren want voorlopig is er aardgas in overvloed. Nederland is succesvol met de exploitatie van kleine gasvelden. Bovendien blijkt de winbare gasreserve in Groningen veel groter dan tot enkele jaren geleden werd aangenomen.

aar de situatie verandert. Minister Andriessen (economische zaken) geeft er, gesteund door de Tweede Kamer, de voorkeur aan om een flink deel van die extra gasreserves te verkopen want nu is er een ruime vraag in de afnemende landen. Het gas is te duur voor elektriciteitsopwekking, vindt hij. Door met de extra opbrengst van de export het financieringstekort te verlagen kan een belangrijke verbetering van de nationale economische ontwikkeling worden bereikt, meent deze CDA-minister.

Intussen stijgt het elektriciteitsverbruik elk jaar fors en wordNederland voor de opwekking van stroom steeds afhankelijker van kolen. In 1990 is het aandeel van deze brandstof voor de elektriciteitscentrales opgelopen van zesendertig tot vierenveertig procent en nam het aandeel van aardgas af van zevenenvijftig tot eenenvijftig procent. Uit milieuhygienisch oogpunt is dat een ongewenste ontwikkeling, want hoe modern kolencentrales ook worden ingericht, ze zorgen voor veel meer schadelijke emissies dan aardgas. Daar staat tegr dat kolen relatief goedkoop zijn. Ook zijn ze makkelijk te importeren uit verschillende landen, waardoor er niet zoals met olie sprake is van een sterke afhankelijkheid van een politiek broeinest als het Midden-Oosten.

Daarom willen onze regering en de Samenwerkende Elektriciteits Produktiebedrijven (SEP) meer verscheidenheid van brandstoffen voor de stroomopwekking. Om daarmee zowel de milieubescherming te dienen als de voorziening van voldoende elektricitei een zo laag mogelijke prijs te houden. Zowel internationale afspraken over onderlinge bijstand als nationale belangen prikken Nederland met zijn energie-intensieve industrie vast op de verantwoordelijkheid om zoveel mogelijk zelf te voorzien in de elektriciteitsopwekking. Nederland importeert al vijftien procent van zijn stroomverbruik, het maximum dat bij de huidige voorziening van hoogspanningsnetten verantwoord is.

Stroomimport is duur, er treden belangrijke verliezen op en de voorzieningszekerheid worr minder door.

Het wordt nu dus tijd voor een bezinning op de vraag hoe we in de toekomstige vraag naar elektriciteit voorzien en welke brandstoffen we daarvoor inzetten. Verreweg de beste oplossing voor het energieprobleem in zowel de Westerse wereld als in Oost-Europa en de ontwikkelingslanden zou een drastische besparing zijn. Overheden kunnen waarschijnlijk veel bereiken door de verbruikers van dat grote belang te doordringen. Ook belastingen en heffingen kunnen het verbruik van brandstoen elektriciteit matigen. Maar de democratie laat - gelukkig - geen dwang toe en bereikt haar grenzen bij wat het prijsmechanisme en desnoods overreding aan resultaten kunnen opleveren, een gegeven dat de anti-kernenergiebeweging tot dusver weigert te onderkennen.

Binnen enkele jaren moet in Nederland een belangrijk deel van de elektriciteitscentrales die in de jaren zeventig zijn gebouwd, worden vervangen. Sinds Tsjernobyl (1986)ef de optie van meer kernenergie bij de keuze van de brandstoffeninzet buiten beschouwing. Nader onderzoek moest eerst een aantal belangrijke vragen beantwoorden over de veiligheid van reactoren en het afvalprobleem.

De stand van dat onderzoek biedt nu uitzicht op de mogelijkheid van een keuze door het volgende kabinet. Een studie in opdracht van de SEP, uitgevoerd door het Energie Onderzoek Centrum Nederland en de KEMA wijst uit dat een aantal de nu leverbare reactoren, al of niet met enige modificaties, voldoen aan de Nederlandse veiligheidseisen.

Bovendien worden nieuwe reactoren ontwikkeld die veiliger zijn dan de huidige generatie (evolutionaire reactoren met passief veilige systemen). Voor tijdelijke, gecontroleerde bovengrondse berging van afval bestaat de nodige techniek die al wordt toegepast. Ook het onderzoek naar mogelijkheden om hoog radioactief afval definitief te isoleren van het leefmilieu door een gecontroleerde eindberging in de diepe onde)grond, biedt perspectieven.

Minister Andriessen heeft zich voorgenomen een pakket onderzoekresultaten klaar te leggen voor zijn opvolger om een politieke keuze voor of tegen meer kernenergie mogelijk te maken. Essentieel is daarbij een behoorlijke mate van publieke acceptatie, anders wordt het debat binnen de kortste keren opnieuw overheerst door hordes demonstranten op het Binnenhof en aan de poorten van Dodewaard en Borssele.

Dat kan alleen en voorkomen als het publiek tijdig en goed door media en overheid genformeerd wordt over de stand van de nucleaire wetenschap. Het veronderstelt ook bereidheid bij de milieubeweging om mee te werken aan een degelijke afweging, waarbij de voor- en nadelen van verschillende energiebronnen naast elkaar worden geplaatst. De milieu-eisen moeten streng zijn, maar voor alle energiedragers gelijk worden toegepast.

Een opvatting bijvoorbeeld, als een jaar geleden door de publicist Herman Damveld gedebiteerd, verder onderzoek naar mogelijkheden voor het ondergronds opbergen van kernafval gestopt moet worden omdat “het om een onoplosbaar probleem gaat” past niet in een goede afweging en brengt niemand een stap verder.

In een nieuwe afweging verdienen de milieuvoordelen en de economische aspecten van kernenergie een plaats, net als de risico's van kernenergie en van andere bronnen en de rol die duurzame energiebronnen als wind en zon kunnen spelen. Een olieraffinaderij of een kolenvergassingtallatie kan ook ontploffen, met alle gevaren en milieugevolgen van dien. Dat mensen bereid zijn met risico's te leven, mag blijken uit berekeningen in de Verenigde Staten die hebben uitgewezen dat bijvoorbeeld het risico van roken voor de gezondheid in dat land ten minste vijftienhonderd maal groter is dan de somberste schattingen van het risico van kernenergie.

Uiteindelijk is een nieuwe beslissing over kernenergie onderworpen aan parlementaire beoordeling. Maar voor het zover is, mag van de politieke partijen verwacht worden dat ze zich aan de hand van de beschikbare onderzoeksresultaten in de partijprogramma's duidelijk uitspreken over het energieprobleem en over kernenergie in vergelijking met andere bronnen, zodat de kiezers hun oordeel kunnen uitspreken.

Geen enkele energiebron zal ooit risicovrij zijn, zegt het rapport Our Common Future van de Commissie-Brundtland (1987).

Nucleaire energie is alleen te rechtvaardigen wanneer degee oplossingen worden gevonden voor de veiligheidsproblemen, vindt de commissie, die daarvoor een groot aantal aanbevelingen doet. Dat betekent dat veilige toepassing van kernenergie voor vreedzame doeleinden een kans moet krijgen, en bij die conclusie sluiten wij ons aan.

Tsjernobyl heeft ons geleerd dat een drastische verbetering van de veiligheid van Russische reactoren in Oost-Europa dringend nodig is. Maar het kan geen kwaad er nog eens op te wijzen dat een ongeval van een dergelijke omvang met Westerse reactoren onmogelijk is. Bij de storing in de Amerikaanse centrale op Three Mile Island (Harrisburg) in 1979, een kernsmelting, is zo ongeveer alles misgegaan wat er kon misgaan, maar dankzij de veiligheidsvoorzieningen is geen gevaar voor de omgeving opgetreden. Volgens de deskundigen is het risico van smelting van een reactorkern nooit geheel uit te sluiten, maar kunnen de gevolgen daarvan met een goed beveiligde reactor tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt.

Toepassing van een geheel nieuw reactortype dat in de Verenigde Staten wordt ontwikkeld maar nog in de praktijk moet worden getest, de Simplified Boiling Water Reactor, zou dit risico zelfs zo ver beperken dat een evacuatie onnodig is. Bij smelting van de kern of een deel daarvan zou geen radioactiviteit buiten de (dubbele) veiligheidsomhulling treden, of de straling is zo gering dat ze ver beneden de veiligheidsvoorsften blijft.

Het aantal ernstige ongevallen bij de winning en het gebruik van olie en kolen is per geproduceerde kilowattuur vele malen hoger dan zich met veertig jaar gebruik van kerncentrales in de wereld heeft voorgedaan. Ongrijpbaar blijft het risico van mogelijke sabotage en terroristische acties tegen atoominstallaties, maar dat geldt ook voor andere energiebronnen zoals tijdens de Golfoorlog met de milieuramp in Koeweit duidelijk is gebleken. Ook werkt het internationaal controlesysteem om verspreiding van het gebruik van kernenergie voor nvreedzame doeleinden te voorkomen, nog steeds gebrekkig. Volgens de Commissie-Brundtland ligt hier zelfs in principe de grootste bedreiging van de wereldvrede.

Veelal worden storingen en ongevallen met kerncentrales nog omgeven met geheimzinnigheid. Informatie over de aard en ernst van ongevallen, storingen en branden en hun gevolgen wordt als het even kan in de bureaulades gehouden. Internationale organisaties houden nauwkeurige statistieken bij over hermogen van kerncentrales, maar zijn bepaald niet ruimhartig in het verstrekken van gedetailleerde informatie over de technische problemen. Wel neemt het besef over het grote belang van betere veiligheidsvoorzieningen gelukkig toe. In dat klimaat zou gewerkt moeten worden aan een internationaal, verplicht systeem van rapportage en veiligheidscontroles. Nu hebben de controles door het IAEA op de bedrijfsvoering van reactoren nog slechts op verzoek van de regerinplaats en zijn dus onverplicht.

Een groot gemeenschappelijk belang van Oost en West ligt in een zo snel mogelijke verbetering van de veiligheid van de kernreactoren in Oost-Europa. Ook de onbetrouwbare, oude grafietreactoren in Engeland behoeven aandacht. Gelukkig stelt het Westen voor de Oosteuropese centrales deskundigheid en geld beschikbaar. Zowel de Sovjet-Unie als de landen in Midden- en Oost-Europa kampen met een energiecrisis. Bij de hervorm van hun economieen en de aanpak van hun milieuproblemen kunnen ze hun kerncentrales niet missen.

Nederland kent dat dilemma niet. Het kan zich de weelde veroorloven om het kernenergie-onderzoek goed te evalueren en de beste techniek te kiezen. Maar Nederland kan een keuze niet eindeloos ontlopen want de vereiste deskundigheid op dit specialistische terrein, verdwijnt nu al zienderogen.

foto:

Ruim tien jaar geleden eiste de anti-atoomlobby dat de kerncentrale in Dodewaard gesloten zou worden. Poster van de Gelderse Stroomgroepen, Stopkernenergie en Energiekomitees in: H.J.A.Hofland e.a., Een teken aan de wand (Album van de Nederlandse Samenleving 1963-1983), Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 1983.