Krokodilletranen

Communisten zijn altijd sterk geweest in het manipuleren van de toekomst - hun specialisatie - maar ook van het verleden. In deze traditie heeft Ger Verrips in NRC Handelsblad van 14 juni een overzicht geschreven van de geschiedenis van de CPN waarin tegen het einde, al bij al drie namen tegenkomt van nog levende partijgenoten, die van Verheij, Bakker en Gortzak (met een gedeelde eervolle vermelding).

Ik stel me voor dat men zo een geschiedenis van het Sovjet-communisme kan schrijven zonder de namen van Lenin en Stalin. De verwoestingen die door onze mini-stalin Paul de Groot binnen de CPN zijn aangericht, worden wat vaag omschreven in termen van 'interne conflicten in de partij-leiding ... en de wijze waaeze werden uitgevochten'.

Nu zijn de 'interne conflicten' ook binnen het wereld-communisme vanaf de jaren twintig nooit erg subtiel uitgevochten, en dit hebben de 'grondleggers' van het Nederlandse communisme geweten: Ceton, Van Ravesteyn en Wijnkoop, die in 1909 de SDP stichtten (als afsplitsing van de SDAP), waaruit na 1917 de CPH, later CPN voortkwam. In 1925 verdwenen de drie pioniers na een 'intern conflict' met (onder andere) Moskou, van het politioneel: Ceton gaf er de politieke brui aan, Van Ravesteyn kreeg een baantje aan de Rotterdamse bibliotheek (maar bleef een alerte antifascist) en Wijnkoop werd later door de partij weer in genade aangenomen.

Van Ravesteyn (in 1970 gestorven) heb ik in zijn nadagen gekend als een gedesillusioneerde en vereenzaamde man, die in de jaren zestig (en eerder) door radicaal-links Nederland als een melaatse werd behandeld; om vele redenen, en niet alleen omdat hij even knap was als knap arrogant.

Het onvergeeflijke was dat hij al in de jaren dertig begreep wat sommige communisten al in de jaren twintig en vele anderen in de jaren veertig, vijftig of veel later ontdekten, al naar gelang hun ervaringen, kritische zin en eerlijkheid: dat het communisme in theorie een glorieuze zaak is (of lijkt) en in de praktijk rampzalig is. Maar dat weet in deze jaren negentig iedereen, inclusief degenen die 15 juni 1991 het Nederlandse communisme ten grave hebben gedragen, et veel echte en krokodilletranen. In de woorden van Domela Nieuwenhuis: “Hier liggen de doden en hier liegen de levenden”.