Jan Blokker; De vernieuwing was het werk van oude mannen

Deze maand is het precies vijfentwintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. Boer Koekoek won de gemeenteraadsverkiezingen, het Utrechtse studentencorps kwam in opspraak na de roetkap-affaire en in Amsterdam leidde een oproer tot de val van burgemeester Van Hall. Wat was dfeer van die jaren? In de achtste aflevering van een serie de toenmalige redacteur van het Algemeen Handelsblad Jan Blokker.

AMSTERDAM, 18 JUNI. Ach, als de kinderen op bed lagen mocht hij tijdens die lange hete zomer graag gaan kijken naar het gedonder op straat, maar om nou te zeggen dat hij daar de revolutie voor zijn eigen ogen zag voltrekken. “Nee, ik ben ontzettend benauwd om al te grote betekenis te verbinden aan Provo en de studentenopstanden. De eerste vormen van opstandigheid in de jaren zestig hebben niks te maken met de jonge generatie. De vernieuwing in de jaren zestig, dat was in Nederland het werk van oude mannen.

“Neem het zendschip Veroni(J. Een initiatief van twee oudere, Jacobse en Van Es-achtige heren (de gebroeders Verwey, red.).

Zij vonden een handige manier om buiten het bestel om op zee een grote teringherrie te gaan maken. En je had de opstand van de vrije boeren onder leiding van boer Harmsen. Dat waren de eerste vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid.

“Hollandsche Veld, de opstand tegen het Landbouwschap - daar was sprake van een provocatie van de bestaande orde. Dat was ook meteen oorlog. Marechaussees te paard die op iedereen inhakten, dat hebben we in Amsterniet meegemaakt. Daar werden krenten uitgedeeld en werd wat boe geroepen.

“Ik heb absoluut geen verhouding met de jaren zestig. Die vreemde nostalgie naar die jaren, die ken ik niet . Elke leeftijd heeft zijn eigen betrokkenheid. Ik was te jong toen de oorlog uitbrak, te onbezonnen toen hij eindigde, te druk met mijn gezin en carriere toen de Koude Oorlog uitbrak en te oud om in de jaren zestig op participerende wijze bezig te zijn.”

Jan Blokker was in de vroege jaren ig journalistiek actief op twee heel verschillende manieren. Bij het Algemeen Handelsblad - “Toen ik er kwam, half jaren vijftig, was het een ingedutte negentiende-eeuwse liberale krant” - schreef hij cursiefjes en deed hij de filmrubriek. Op tv schokte hij Nederland eens in de vier weken als redacteur van het satirische programma 'Zo is het toevallig ook nog eens een keer.'

“Wat ik me vooral herinner is die rare dubbelheid. Als redacteuren van 'Zo is het' werden we vereenzelvigd met rooie raddraai(Jrs. De Telegraaf voerde een enorme campage tegen ons. Zelf hadden we helemaal niet van: hier treden wij aan, we gaan de grote revolutie verkondigen. We deden het primair omdat we het leuk vonden om het te doen.

“Negentig procent van de teksten ging over het koninklijk huis: maar ja, dat was ook de tijd dat Irene rooms werd en met zo'n rare Carlist kwam aanzetten en Margriet het vaderland met Pieter van Vollenhoven verraste. Elke uitzending die je maakte, hoe flauw o leidde tot heftige reacties: of de mensen waren enthousiast of ze waren woedend. Toch ondernam de hoofdredacteur, Steketee, geen enkele poging om me te bewegen ermee op te houden. Hij heeft nooit gezegd: je gaat eruit.

Terwijl dat toch makkelijk kon. “Met mijn cursiefjes - aanvankelijk een heel braaf Carmiggelt-achtig soort Amsterdams rubriekje dat later groeide naar bitsigheid en bozigheid - bemoeide de hoofdredacteur zich wel regelmatig. Het wasn heel aardige man, maar hij deed het ontzettend in zijn broek uit angst voor abonneeverlies. Maar mijn meninkjes kwamen toch in de krant. Ik kon mijn stukkies gewoon kwijt in de filmrubriek. Bij de hoofdredacteur gaf dat geen enkel probleem want de filmrubriek, die las hij niet.

“Halverwege de jaren vijftig, toen ik bij het Handelsblad kwam, was de krant behoorlijk grijs en oud. Met mensen als Henk Hofland en Wim Boswinkel behoorde ik tot de kleutergeneratie. Er gaapte ook een gewige kloof tussen de makers van de krant en de achterban. De lezers van het Algemeen Handelsblad, dat waren niet de meest progressieve liberalen in het land, dat was meer het couponknippersliberalisme. In de jaren zestig begon dat te knellen. De sympathie van de jonge redacteuren - de aanstormende generatie die klaar stond met mensen als Van Mierlo en Gruyters - lag duidelijk bij de oproerkraaiers. De hoofdredactiad sterk het gevoel: wij moeten die boel bij elkaar houden. Voor zover er heimelijk sympathie was, werd die verdrongen door het voortdurende abonneeverlies. Dat had ook iets angstigs: de abonnees gingen met bakken de deur uit. Ik herinner me een winderige dag op het terras van Jan Tabak in Hilversum. Wat daar aan broze types met de krant zat, ik had echt het idee: een slechte winter en we zijn weer 10.000 abonnees kwijt.”

In 1968 verlaat Blokker het Handelsblad. Niet Provo is de aanleiding, maar het plan van de directie technischemenwerking aan te gaan met de Telegraaf. De samenwerking zou er niet komen, twee jaar later fuseert de krant met de Nieuwe Rotterdamse Courant. Jan Blokker werkt dan al geruime tijd bij de VPRO.

“Of de jaren zestig veel veranderd hebben? Ik ben geen socioloog, maar in die periode is een manier van journalistiek afgesloten die nooit meer terug zal komen. Wat je kunt zeggen is dat de verzuiling een heel natuurlijke dood is gestorven.

Dat was een volstrekt overleefd vehikel. Door het wegvallen van de verzuiliel ook een soort journalistiek weg, dat is absoluut een feit.

“Iets ruimer gesteld: als er iets veranderd is in de samenleving - behalve dat je joh mag zeggen tegen je kinderen - is het de openheid die er is gekomen. Dat is een aangename consequentie.

“Wat vooral bleef is een grote mate van stabiliteit. Wat er allemaal ook gebeurde in die vreselijke jaren, het kabinet De Jong zat naadloos de rit uit. Niks aan de hand, dat ging behoorlijk vanzelfsprekend. Provo, Mahuis, kabouters, alles ten spijt: een voormalige kapitein van een onderzeeboot regeerde met groot gemak het land. Daar zou ik nog wel eens een aardige studie naar verricht willen zien.”

Ook in familiekring kon Blokker vaststellen dat de continuteit groter was dan de verandering. Midden in de woelige jaren droeg ook zijn oudste zoon het haar tot op de schouders en ging een dochter in “een prachtige door mijn vrouw versierde jutezak” gekleed. Vaderlijk vermaan hielp niet, heicht kwam van de rector van het Vossius-gymnasium.

“Die man had pefect door hoe je repressieve tolerantie moet toepassen. Alles mocht er, tot bepaalde grenzen. En die lagen scherp vast. Ik herinner me een schoolavond. De rector trad aan - Provo, flower-power, weet ik wat al niet meer teisterden het land - maar alle ouders en leerlingen stonden keurig op en door het gangpad schreed mijn zoon met de vrouw van de rector aan zijn zijde naar het podium. Het aloude Vossied werd onveranderd aangeheven en van de rest van de bijeenkomst kon je toch gewoon vaststellen dat het een heel keurig Hildebrandt-achtig avondje was.”

De oudste zoon heeft het haar nog lang tot op de schouders gedragen, inmiddels is hij leraar aan het Vossius. En heeft hij het haar weer kort, stelt Blokker senior pesterig vast.