Gullit senior ziet zich in Suriname in de rol van Akeman of Van Zanten; Voetbalschoenen een onbetaalbare luxe

PARAMARIBO, 18 JUNI. George Gullit veert op als in de klamme hitte van het Surinamestadion de donkerste parel van Coronie met een lob van veertig meter dersligger treft. “Wat een bal van die Steven Slagveer, he. Hij is een van mijn jongens.” De 57-jarige Gullit keerde acht jaar geleden terug naar Suriname. “Dit vrije leven in de tropen vind je nergens.” In september gaat hij naar Milaan. “Twee weken maar, want de lucht is daar zo smerig,” zegt hij terwijl we naar het stadion rijden. Ontspannen stuurt Gullit senior zijn Volkswagen Golf (“heeft Rudi nog in gereden”) langs de houten huizen van Paramaribo, die glimmen na de zoveelste tropische stortbui. Nee, Amsterdam mist hij geen moment.

George Gullit besteedt net als zoon Ruud de meeste tijd aan voetbal. “We verliezen veel talent, omdat we weinig kunnen bieden,” zegt hij. “Heb je een goeie jongen, is ie van de ene op de andere dag weg.” Toch is het armlastige Surinaamse voetbal bezig uit het diepe dal op te krabbelen. Gullit helpt veel jonge voetballers. Sinds enige tijd is hij de officiele begeleider van het Surinaams nationale elftal. “Ik ben een kruising van Careeman en wijlen Jack van Zanten, de materiaalman en chef d'equipe van het Nederlands elftal.”

In de jaren vijftig voetbalde Gullit bij Transvaal in Paramaribo. Eenmaal in Nederland - in de periode dat ook landgenoten als Mijnals en Sparendam het moederland opzochten - wimpelde hij profaanbiedingen af. Zijn studie aan de Vrije Universiteit ging voor. Gullit werd leraar economie aan de school voor detailhandel in Amsterdam.

Nu vraagt het Surinaamse voetbal al zijn aandacht. Soms bekostigt Gullit zelfs uitgaven voorjonge voetballers uit eigen portemonnee, maar daarover wil hij liever niet praten.

Een keer deed hij een beroep op zijn zoon, die een partij voetbalschoenen naar Suriname stuurde. “Ik wenste dat Rudi nog bij Adidas zat. Daar hebben ze altijd een hele voorraad beschikbaar.” We kijken naar de wedstrijd tussen Transvaal en Corona. George Gullit heeft plaatsgenomen tussen het 'gewone'

publiek, links en rechts bekenden groetend. Het ereterras mijdt hij, want net als Ruudeft Gullit senior het niet op bobo's.

Transvaal is kampioen van Suriname, Corona promoveerde naar de hoogste klasse. Het laatste is opmerkelijk, want Corona is een districtsclub. En de districten hebben in Suriname in het voetbal even weinig in te brengen als in de politiek. Daarin komt verandering. De lokale geldelite van voornamelijk Hindoestanen heeft zich op het voetbal gestort.

Voetballers bij districtselftallen strijken tegenwoordig honderd tot tweehonderd Surinaamse guldeer wedstrijd op. Dat is heel behoorlijk in een land waar de gemiddelde ambtenaar nog geen duizend gulden per maand verdient. De achtergestelde districten zien hun kans schoon via het voetbal dat arrogante Paramaribo eens een hak te zetten. Nu doet zich de paradoxale situatie voor dat de districtsclubs er door steun van rijsthandelaren en andere lokale grootheden financieel beter voor staan dan traditionele topclubs als Robin Hood, Transvaal en Voorwaarts. Alleen Transvaal heeft het gelmet het Nederlandse transportbedrijf Jos Steegman (die de duizenden particuliere hulppakketten van Nederland naar Suriname vervoert) over een redelijke sponsor te beschikken.

Het maakt het Surinaamse voetbal er interessanter op. Met de groeiende rivaliteit neemt de publieke belangstelling weer toe. Voetbal is in Suriname ook geen overwegend Creoolse sport meer. De Aziaten zijn hard op weg naar de nationale top.

Gullit: “Hindoestanen hebben het voetbal ontdekt als middel orkenning te krijgen. Creoolse coaches trainen ook liever met Hindoestanen, want ze zijn heel leergierig.” Even onderbreekt hij zijn betoog als international Linger voor Transvaal lijkt te gaan scoren via een razendsnelle een-twee. “Heb ik uren mee gepraat om hem op het goeie spoor te houden. Dat was toen 'ie nog op de middelbare school zat.”

Dat de kwaliteit van het Surinaamse voetbal stijgende is, blijkt uit de internationale resultaten. Het Olympisch team haalde de derde rondin het kwalificatietoernooi voor Barcelona door uitschakeling van de Nederlandse Antillen en Barbados. In oktober wachten zware wedstrijden tegen Mexico en Honduras.

Het Surinaamse clubvoetbal is weer toonaangevend in het Caribisch gebied. Transvaal haalde de finale van het Concacaf-toernooi, de Caribische tegenhanger van de Europa-Cup. Dat de slotwedstrijd tegen de kampioen van Trinidad niet werd gespeeld, was het gevolg van een truc die uit strip van Kick Wilstra afkomstig kon zijn. De Trinidese FIFA-bestuurder Jack Warners stuurde Transvaal pas twee dagen te voren een fax over plaats en tijdstip van de finale. Vanuit Suriname was er toen geen lijnvlucht meer beschikbaar.

Transvaal verloor reglementair. De opbouw van het jeugdvoetbal moet volgens Gullit nu de meeste aandacht krijgen. In Suriname spelen alleen de 16- tot 18-jarigen onder de vlag van de voetbalbond. Jongens in de pupill en adspirantenleeftijd spelen in allerlei losvaste buurtcompetities. Het ongeschoeide voetbal uit de jaren vijftig - Suriname kende ooit een officiele ongeschoeide competitie - heeft er weer zijn intrede gedaan.

Voetbalschoenen zijn voor de doorsnee-Surinamer nu eenmaal een onbetaalbare luxe.

De clubs hebben onvoldoende middelen om de voetbaljeugd te organiseren. Dat hierdoor heel wat talent verloren gaat, constateert ook coach Rob Groener. De voormalige trainer van FC Twente, die in het begin van de jaren tachtig als bondscoacht het Surinaams nationaal elftal op een haar na het WK miste, is dezer dagen op uitnodiging van Voorwaarts in Paramaribo om wat cursussen te geven. “Het barst hier van het talent, daar lik je echt je vingers bij af,” zegt Groener die tegenwoordig actief is in de Duitse Oberliga. Hij voelt zich nog steeds betrokken bij het voetbal in Suriname. Hij ziet veel in het enkele jaren geleden door de Surinaamse bondscoach Ro Kolf gelanceerde idee om een Nederlandse cb een voetbalschool in Paramaribo te laten sponsoren. De beste leerlingen zouden dan naar Nederland kunnen komen. Volgens Groener heeft de Stichting Kleurrijk, die vooral na de ramp met het SLM-vliegtuig actief werd, de gedachte wel eens aangekaart bij PSV. Maar tot iets concreets heeft dat nooit geleid. Groener: “Nederlandse clubs beseffen niet dat ze tegen een investering van nauwelijks 25.000 gulden per jaar hele goeie Surinaamse voetballers kunnen kweken.”.