Gelijke behandeling (2)

De wet gelijke behandeling biedt geen maatregelen ter bevordering van gelijkheid, zo stellen Verrijn Stuart en Vierdag ten onrechte, want ze schrijven ook dat deze wet magelen biedt ter bescherming van gelijke behandeling op de arbeidsmarkt. Het wetsvoorstel, zo schrijven ze verder, biedt niet meer aan de achtergestelde groepen dan aan de dominante, waarmee deze wet de bestaande machtsverhoudingen slechts zou bevestigen en daaraan lippendienst zou bewijzen, hetgeen hen ertoe brengt van een 'discriminerende wet' te spreken. Ik begrijp niet dat juridische experts zoiets kunnen schrijven.

Een wet die aan sommige groepen meer biedt dan aan andere zou waarlijk discriminerend zijn. Wetten ter bestrijding van discriminatie kunnen niet verder gaan dan het bestrijden van ongelijke behandeling. Een dergelijke “reductie van discriminatie tot ongelijke behandeling” haalt geenszins “de angel uit de anti-discriminatiewetgeving”, zoals de auteurs smalend schrijven, maar is overeenkomstig de principes van gelijke behandeling voor de wet in een rechtsstaat. In zo'n staat is gelijke behandeling voor de wet inderdaad een norm op zichzelf, en hoewel wetten die op die norm zijn afmd op zichzelf onvoldoende zijn om ongelijke behandeling in de praktijk uit te sluiten, vormen ze wel degelijk een noodzakelijke voorwaarde om gelijke behandeling volgens de etiquette en in de maatschappelijke praktijk ingang te doen vinden. Waar wetten gelijke behandeling beloven, daar is het bestrijden van klasse- of seksejustitie of andere vormen van dubbele, discriminerende gedragsstandaarden een taak van de pers, van sociale bewegingen en van iedereen.

De schrijver suggereren eze anti-discriminatiewet eigenlijk zelf een subtiele vorm van discriminatie is en dat “de regering is als een horeca-exploitant die zijn club 'blank'

wil houden maar van de rechter te horen krijgt dat het verboden is gekleurde klanten de toegang te weigeren.''

Echter, zonder totalitair te worden kan een regering niet als een horeca-exploitant toezicht houden op de muziek of op de bediening in het land, en zelfs de meest totalitaire horeca-expant is niet in staat grappen zoals beschreven geheel te voorkomen. Met deze vergelijking laden de schrijvers dan ook de verdenking op zich totalitair te denken.