Europese norm voor schuld en tekort

De EMU, de Europese taire Unie, nadert en daarmee komt voor Nederland het moment naderbij dat een hogere instantie richtlijnen geeft voor de omvang van het nationale financieringstekort en de staatsschuld. Probleemloos zal dat niet zijn. In financiele kring is de verwachting dat een maximum voor het financieringstekort - het verschil tussen uitgaven en inkomsten - niet snel hoger zal komen te liggen dan drie procent van het bruto nationaal produkt. Nederland zal alle voorgenomen bezuinigingsmaatregelen en lastenverhogingen de kde jaren moeten uitvoeren, niet teveel uitgaven voor nieuw beleid moeten doen en ook nog wat economisch geluk moeten hebben om halverwege de jaren negentig binnen die grens te komen en te blijven.

Datzelfde geldt voor de omvang van de staatsschuld. De EMU-norm voor de overheidsschuld zal zeker consequenties hebben voor ons land. Nederland behoort, naast Italie en Griekenland, tot de lanmet een stijgende staatsschuld. Het beleid van het kabinet Lubbers III is erop gericht aan het eind van de rit die richting om te keren, maar of dat lukt hangt weer sterk af van de ontwikkeling van het financieringstekort.

Een extra probleem is dat de Nederlandse overheidsschuld - uitgedrukt als percentage van het bruto nationaal produkt - nogal aan de hoge kant is wanneer zij wordt vergeleken met die in landen als Duitsland, Frankrijk, Engeland, Denemarken en Spanje. Tegenover andere EG-lidstaten (Belgie, Ierland en Ita) valt de Nederlandse positie weer mee. Het is echter reeel te veronderstellen dat een Europese norm voor de overheidsschuld zal komen te liggen onder het niveau dat in Nederland over een aantal jaren zal zijn bereikt.

Staan ons dank zij de EMU nieuwe draconische ombuigingsmaatregelen te wachten? De Nederlandse overheid is zich hiertegen al aan het indekken. Steeds meer wordt in financiele stukken gewezen op de verschillen in definitie van overheidstekort en overheidsschuld, die Nederland een bijzon plaats geven ten opzichte van alle andere EG-landen. De Miljoenennota 1991 gaat er uitvoeriger dan vroeger op in en de Centraal Economische Commissie (CEC), een hoog ambtelijk adviescollege van het kabinet, legde in een onlangs uitgebracht advies de nadruk op de unieke positie van ons land.

Die definitieverschillen vloeien voort uit het feit dat Nederland het enige land is waar de overheid geld reserveert voor toekomstige ambtenarenpensioenen. In andere EGden worden ambtenarenpensioenen via een omslagstelsel betaald. Die landen gaan ervan uit dat er in een jaar een bedrag X aan uit te keren ambtenarenpensioenen nodig is. Met dat bedrag worden de uitgaven op de begroting in dat jaar verhoogd.

Het kapitaaldekkingsstelsel waarmee in Nederland wordt gewerkt houdt in dat er ieder jaar meer aan premie voor ambtenarenpensioenen wordt betaald dan in dat jaar nodig is om de uitgaven aan pensioenuitkeringen te financieren. Het mere wordt door het Algemeen Pensioenfonds (ABP) belegd, grotendeels - en voor een belangrijk deel verplicht - in staatsschuld. Het vermogen van het ABP dient om op termijn aan de pensioenverplichtingen aan ambtenaren te kunnen voldoen.

Eenvoudig gezegd: de Nederlandse overheid spaart nu voor later, terwijl andere landen dat niet doen. Die laatste zullen dan ook bij toenemende vergrijzing een steeds groter deel van hun begroting moeten bestemmen voor pDH)sioenuitkeringen. Dat betekent - er even van uitgaande dat zij hun belastingen niet willen verhogen - dat andere uitgaven zullen worden verdrongen of de tekorten gaan oplopen.

Het valt dus wel te verdedigen dat bij het bepalen van de door de EMU aan Nederland toegestane omvang van financieringstekort en staatsschuld enigszins rekening wordt gehouden met de spaarpot van het ABP. Het gaat tenslotte over overheidsgeld.

Maar die verdediging wordt minder overtuigend als er sprake is van eenrivatiseerd ABP. Over de wenselijkheid van zo'n privatisering wordt momenteel ook veel in 'Den Haag'

gediscussieerd, maar weer door andere politici en ambtenaren dan zij die zich bezig houden met de EMU.

Privatisering past vooral in het streven naar verdere afslanking van de overheid. De taken die het ABP uitvoert kunnen best op afstand van de overheid worden verricht.

Bovendien willen de voorstanders van privatisering voor goed af van de situatie - zoals die voorkwam de jaren tachtig - dat de reserves van het ABP door de overheid naar willekeur kunnen worden gebruikt om gaten op de rijksbegroting te dichten.

Privatisering van het ABP schermt de pensioenbesparingen van de ambtenaren af voor politieke invloed. Bezien vanuit de belangen van de ambtenaren is daarvoor wel wat te zeggen.

Dat de discussies over wat er met het ABP moet gebeuren en over de rol die de pensioenbesparingen straks in het monetaire beleid moeten vervullen zo langkaar lopen bemoeilijkt de afweging over de toekomst van het ABP. Zeker is dat privatisering van het ABP de onderhandelingen tussen de minister van binnenlandse zaken en de ambtenarenbonden een stuk rustiger maakt. Daar tegenover staat dat die privatisering in combinatie met de EMU het de minister van financien lastiger maakt. Hij kan door de verzelfstandiging van het ABP ooit worden gedwongen tot extra bezuinigingen.