Troosteloze feestzaal vormt ideaal decor voor scherpe teksten van Bernhard; Lange tirades met storend oponthoud

Voorstelling: Het rad van de geschiedenis van Thomas Bernhard door Maatschappij Discordia. Regie: Jan Joris Lamers; spel: Jan Joris Lamers, Ditha van der Linden, Matthias de Koning, Annet Kouwenhoven, Titus Muizelaar. Gezien: 15-6 Toneelschuur Haarlem. Nog te zien aldaar: 18 t-m 22-6.

Aan het licht dat door de vier grote ramen naar binnen valt is niet te zien dat het al half negen 's avonds is. Het zou ook een donkere middag om een uur of drie kunnen zijn, zo'n dag waarop het weer onveranderlijk grauw en hangerig is; weer dat past bij een kale zaal waar de opeengestapelde stoelen wachten op betere tijden en waar een stem uit een onzichtbare radio de ruimte vult met deprimerende deuntjes. Het ideale decor kortom voor Der Thetermacher van Thomas Bernhard. Het uit 1984 daterende stuk van Bernhard vormt dit jaar het uitgangspunt voor het fin de saison in de Toneelschuur, een produktie die traditiegetrouw wordt uitgebracht door het huisgezelschap Maatschappij Discordia. De bewerking die Discordia van het stuk heeft gemaakt en opvoert onder de titel Het rad van de geschiedenis is alleen al dank zij de uiterst sobere maar doeltreffende vormgeving een tot de verbeelding sprekende voorstelling. Het tonelhuis van de Toneelschuur is voor de gelegenheid veranderd in de troosteloze feestzaal van een weinig animerende dorpskroeg: een ambiance zonder allure in een plaats genaamd Utzbach, door de hoofdpersoon steevast uitgesproken als Butzbach, wat in het Nederlands met een kleine variant als Otsbach-Kotsbach is vertaald. Al stemt het gegeven van Der Theatermacher onzegbaar treurig - de gedesillusioneerde, mislukte toneelspeler Bruscon en zijn talentloze gezin aken een tournee door de provincie om op te treden als de groten en schurken der aarde in de door Bruscon geschreven komedie Het rad van de geschiedenis - een sentimentele tearjerker is het stuk allerminst. Daarvoor is de tekst te scherp, te geestig en te ironisch. Op de hem eigen wijze veegt Thomas Bernhard ook in dit stuk weer de vloer aan met de wereld en met Oostenrijk in het bijzonder (“de etterbuil van Europa” waar een verstikkende “pre-alpenatmosfeer” hangt en de mensen hebben plaats gemakt voor nazi's). Maar belangrijker nog in dit geval is de kritiek op het toneel (“toneel is een honderden eeuwen oude perversiteit”; “alles op het toneel is smakeloos” en “leugenachtig”) en op acteurs (“toneelspelers zijn heel dom”; allen die op de planken staan zijn “antitalenten” en “dilettanten”). De tirades van de getergde theatermaker (Jan Joris Lamers) zijn, afgezien van enkele schaarse opmerkingen van vrouw, dochter, zoon en de norse waard (Titus Muizelaar), in eite een lange monoloog met tal van cholerische erupties. Wat een prachtige rol om te spelen en wat jammer, ja ergerniswekkend, dat Jan Joris Lamers nooit eens zonder zijn eeuwige tekstboek kan. Net als hij, vervuld van machteloze woede over het een of ander, een adembenemende scene lijkt op te bouwen dwaalt zijn blik naar de tekst en weg is de spanning. Zijn spel krijgt daardoor iets hortends, alsof hij een zware kar over een hobbelige zandweg moet trekken en telkens na en vlak stuk willoos in een kuil belandt. Zonder dergelijk storend oponthoud zou Het rad van de geschiedenis een vlekkeloze voorstelling zijn waarin door de anderen voornamelijk voorbeeldig wordt gezwegen tot en met het laatste indringende beeld: terwijl het onweer de lucht aan flarden lijkt te scheuren en de spelers onder de schijnwerpers roerloos staan te wachten op het moment dat ze met hun stuk opmogen, begint het te plenzen van de regen.Het gammele dak boven hun hoofd is niet bestand tegen zo'n stortvloed, zodat iedereen in een mum van tijd doorweekt is. Alsof dit nog niet erg genoeg is, blijkt de zaal waarvoor ze zouden optreden volkomen leeg te zijn.