Spaanse avant-garde muziek is magisch en ambachtelijk

Concerten in het Holland Festival. Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard. Werken van Gerhard, Evangelista en De Pablo. Radio Kamerorkest o.l.v. Cristobal Halffter. Werken van Guerrero, Halffter, De Falla en Hidalgo. Amsterdams Blazers Collectief o.l.v. Jean Gruter. Werken van Blanquer, Raxach, Gerhard en Karel Mengelberg. Gehoord: 14-16-6, Concertgebouw en Beurs van Berlage Amsterdam.

De Spaanse avant-garde heeft de afgelopen decennia geprobeerd zich een eigen weg te banen tussen andere stromingen: serialisme in een integrale samenhang van alle muzikale componenten en aleatoriek in een collage-achtige toepassing van toevalselementen. Iets eerder al had de Poolse School in een decoratieve dichte klankvlakkenstijl een weg gevonden en het was logisch at de Spanjaarden daarbij aansluiting zochten en regelmatig te horen waren op het Herfstfestival in Warschau. Logisch ook dat - om de drie meest markante avantgardisten te noemen - Halffter sterk werd benvloed door Penderecki, De Pablo door Serocki en Marco door Lutoslawski. Francisco Guerrero, wiens werk zaterdagavond ter opening van de serie Spaanse Holland Festival-concerten, kwam in zijn Ariadne (1984) voor strijkorkest niet veel verder dan een riftig Pools tumultuoso, maar Cristobal Halffter wist wel degelijk een herkenbare signatuur toe te voegen aan zijn al even onmiskenbaar Poolse Tiempo para espacios uit 1975 voor twaalf strijkers en clavecimbel. In het vierde deel, een portret van zijn vriend Manuel Rivera (van wie een abstracte tekening in de partituur is opgenomen), introduceert de componist een gecontroleerde vorm van aleatoriek. Driemaal krijgt een zelfde passage een ander relief door wijzigng in tempo en dynamiek: eerst een snel fff, dan een gematigd snel mf, en tenslotte en langzaam pp. Ambachtelijk sterke muziek, bovendien in het tweede deel (een portret van Eusebio Sempere) van een magische werking. De uitgedunde, kale lijnen werken sterk na het driftig-dicht gecomponeerde eerste deel. Het versterkte solo-instrument - furieus-virtuoos vertolkt door de Poolse claveciniste Elisabeth Chojnacka - voegt er een machinale, quasi-elektronische klank aan toe. Interessant is dat Halffter, als hij mystieke teksten van San Juan de la Cruz (1542-1591) verwerkt, steeds voor elektro-akoestische klanken kiest. “De wereld van de mystiek is beter te vatten”, aldus de componist, “als ik mij van de belasting die de gebruikelijke instrumenten op mij uitoefenen, weet te bevrijden.” Vergelijkbaar lijkt mij de situatie in een van Manuel de Falla's sterkste werken, het pittige klavecimbelconcert uit 1923-1926. Het hoogtepunt vormt het middendeel, gedateerd “Infesto corporis Cristi”: een mystieke extase in de vorm van een langzame, Spaanse processiemuziek. Ook hier dus mystiek gewonnen uit een bovenpersoonlijk klanktimbre. Toch werd De Falla niet het te verwachten hoogtepunt van dit Spaanse weekeinde in het Holland Festival. Want dat Chojnacka ook hier voor een versterking van haar instrument koos, was ditmaal geheel misplaatst. Van Luis de Pablo werd ook al een muzikale portrettengalerij uitgevoerd: Libro de imagenes, geschreven in opdracht van het festival peciaal voor het Nieuw Ensemble, waarin vijf deeltjes verwijzen naar vijf verschillende toneelstukken, met respectievelijke trefwoorden voor de diverse gemoedsstemmingen (een verdergaande band is er niet) als lyrisch-amoureuze extase, speelsheid en eenzaamheid. In extase raakte ik er niet van. De vrolijkheid uit het speelse deel bleef het langst in de herinnering hangen. Origineler vond ik Jose Evangelista's Clos de vie (1983) ter herinnering aan Claude Vivier met een citaat uit diens Lonely Child en al even eenstemmig gecomponeerd als het werk van de op 34-jarige leeftijd tragisch bij een roofmoord omgekomen Canadees. Clos de vie klinkt zo ongeveer als een Arabisch orkestje met een banjo, iets te uitgesponnen en met een te gemakkelijk slot. Onalledaags vond ik Alegrias (1987) van Manuel Hidalgo voor orkest, pianosolo, sopraan en altsolo. Hidalgo, niet te verwarren met de nog radicaler Juan Hidalgo, was in 1978 laureaa bij Gaudeamus, hij leeft nu in Stuttgart. In Donaueschingen hoorde ik zijn Harto voor groot orkest, eveneens gebaseerd op zeer primaire gegevens als de tegenstelling toon-geruis. Hidalgo zoekt een expressiviteit te winnen uit simpele uitgangspunten, zoals in dit geval kwinten en octaven. Het resultaat is een pop-artachtige, wat kitscherige retoriek die wel de aandacht prikkelt, maar die toch niet echt lang vast kan houden. Bijzonder tenslotte was op het zondagmiddagconcert door het Amserdams Blazers Collectief een compositie van Karel Mengelberg uit 1934, speciaal geschreven voor de Banda Municipal van Barcelona onder de titel Catalunya renaixent, evocacio simfonia per a orquestra de vent. Het Franco-regime maakte een einde aan de Banda, maar de dirigent wist het repertoire te redden, waaronder de handgeschreven partijen van 'Catalonie herboren'. Zijn orkest was samengesteld uit 86 blazers en 5 slagwerkers, met centraal 26 klarinetten, 12 saxofoons en 15 saxhoorns en als meest opvallende instrumenten de xirimies, een soort van Catalaanse hobo. Men speelde volksmuziek, populaire klasieken, maar ook Hindemith en Strawinsky, zoals blijkt uit een verslag van Karel Mengelberg voor De Groene van 21 juli 1934. Mengelbergs 'Catalonie herboren' rondt na een fanfare wat al te pompeus af, compleet met dreunend orgel, maar het idee om de melodie van psalm 72 te kruiden met Spaanse vrolijkheid in een zeven-achtste maat (steeds om en om tussen de zinsdelen) werkt uitstekend. Een Charles Ives-achtige dolle boel uit 1934, en dit 'Catalonie herboren' oogstte groot succes en terecht, want wat Jean Gruter met zijn amateurs bereikte, was ronduit professioneel.