Miljonairs in renminbi: de Nieuwe Rijken van China; 'Idealen kun je niet eten'

Nieuwsgierig gaat de guei-zhe - letterlijk de vreemde duivel - op de onverwachte uitnodiging in. Lunch met nouveaux riches in de egalitaire Volksrepubliek China. Zo'n buitenkans voor een kijkje in het informele cuit van een centraal geleide economie laat je niet lopen.

De gastheer staat ons op te wachten bij de deur van het Kunlun Hotel, in het oosten van Peking. Zijn witte zijden shirt is wild geborduurd: draken voor en achter. Een duidelijk zichtbaar onderhemd verraadt eenvoudige afkomst. Hij frommelt onwennig aan een gouden dasspeld. Wat onmiddellijk opvalt is de onnatuurlijke kleur haar: bij de wortels grijs, maar enkele centimeters erboven donker geverfd. In het Kantonese restaurant stelt hij zijn vrouw voor, een kleine, kloeke gese, ook al gehuld in weelderig zijde. Even later voegt de dochter zich bij het gezelschap. Zij draagt een creatie die voor een koninklijk bezoek niet zou misstaan, met een lange blauwe sleep los gedrapeerd over de schouders. Haar oorlellen torsen loodzwaar goud. Zij is meer dan een tikje overdressed, denkt de vreemdeling, die met een hoofs knikje wordt begroet. Haar kapsel, zo uit de Vogue, is al even surrealistisch als haar robe. Het gesprek beperkt zich uitslH)tend tot wederwaardigheden over de familie. Over de recentelijk bereikte welstand geen woord. Politiek is taboe. Hun eerste dochter, niet aanwezig, beheert een restaurant in Parijs, in het zestiende arrondissement. Vader was iets hoogs in het leger, is inmiddels al jaren b.d., maar via hem lopen nog steeds de onontbeerlijke regeringscontacten - quanyi. Zonder quanyi vaart niemand wel in de Volksrepubliek. Zor quanyi geen vooruitgang, zeggen de Chinezen. Dochter twee, vandaag dus in Dior-blauw, doet in tweedehands auto-onderdelen, uit Japan en Europa. De lunch kan beginnen, gebaart de gastheer. Met grote haast verschijnen op tafel koude gerechten: een visschotel, gekookt vlees en Chinese komkommers. Het bedienend personeel buigt onderdanig maar wordt familiair bejegend. Oude bekenden, zo lijkt het. “Komt u hier soms elke dag?”, probeert de vreemdeling. Ze schenken eerst thee. e wijn: Great Wall van een goed jaar, een halfdroge witte in zilveren koeler. De glazen zijn fraai beijzeld. Is dit China ? Of een Geneefse drie-sterren-uitspanning? Halverwege de schranspartij - binnen een uur worden 22 gangen opgediend - vraagt de snel verzadigde vreemdeling of hij even onder tafel een dutje mag doen. Er wordt hard om gelachen. Een hap garnalen sproeit over tafel. Eetstokjes vallen op de grond. Het deert niemand. Na de zoveelste visschotel (Chinese coquille-Saint Jacques, garnalen, kreeft en krab) gebruikt de gasthehet bevochtigde vingerdoekje om uitgebreid toilet te maken. Zijn boordje gaat los. Hij blijft praten, ongehinderd door te grote happen Kantonese cuisine. Met de kom aan de mond werkt hij goed hoorbaar de rijst naar binnen. Een elegante verschijning, ook al in het lang, serveert de hoofdschotel: gespleten eendekop met zwane-voetjes in bamboe. Of is het opnieuw een voorgerecht? Vier pittoresque vleesballetjes, gestoomd in pitrieten mandjes, gaan eraan vooraf. Steeds wordt de vis geserveerd in zorgvuldige balans met het vlees: jin en jang tijdens de maaltijd - al is het even wennen voor een Westerse maag. Terwijl de wijnkelner een tweede fles Great Wall ontkurkt komt een voorverhitte wok, ingebed in hard hout, op tafel. Reepjes mals varkensvlees sissen uitnodigend in een soja-sausje. Men wijst de vreemdeling erop vooral de pikant gekruide huid erbij op te eten. Een onbekend schelpdier volgt, soep met vissekoppen en tofu, kleine loempiaatjes, Peking-eend, kippevlels in verfijnde rijstwijnsaus en zoete rode meloen na. Uitbundig geetaleerde, nieuwverworven rijkdom in China - het heeft iets aandoenlijks. Dat gevoel maakt plaats voor verbazing en schaamte als blijkt dat de rekening een gemiddeld Chinees jaarsalaris verre overtreft. Demonstratief telt de gastvrouw uit een enorme beurs vijftien nieuwe biljetten van honderd yuan (ongeveer 600 gulden) op tafel. Een tweede ontmoeting met de Chinese jetset wekt eenzelfde indruk. Overdamoet. Tot het bloedbad in Peking van twee jaar geleden was hij fotojournalist bij het Chinese persagentschap Xinhua. Stond in de vuurlinie bij het Plein van de Hemelse Vrede. Pal naast hem fotograferende collega's vielen dodelijk getroffen neer. Hij heeft hun beeldmateriaal het land kunnen uitsmokkelen. Gedesillusioneerd door het in bloed smoren van geweldloos verzet besloot hij iets geheenders te gaan doen. Dankzij quanyi kreeg hij een vergunning voor het opzetten van een souvenirwinkel in een van Pekings duurste hotels. Ondanks sterk tegenvallende aantallen toeristen, direct na het bloedbad, floreerde zijn souvenirhandel. Binnen een jaar had hij een hele keten opgekocht. Hij noemt zich nu miljonair in renminbi, de Chinese munteenheid. In de pompeuze suite van zijn hotel met uitzicht op de enorme hal steekt hij een dure Dunhill op. Hij neemt nog een slok moutai - 65 procent alcohol. Laat met kinderlijk genoegen zijn Rolex zienver politiek wil hij niet praten. “Politieke idealen kun je niet eten”, aldus de moraal die Chinese nouveaux riches de vreemdeling voorhouden. Kennelijk moet geld de gefrustreerde vrijheidsdrang compenseren. Geld maakt een heleboel goed. Meer geld nog meer. De Chinese happy few beschouwen economisch liberalisme als een mensenrecht - het recht om naar eigen inzicht het geld te laten rollen.