Goed of fout, een tussenweg was er niet bij de CPN; Eenheid stond altijd voorop

De communistische Partij Nederland heft zichzelf op. Vijf jaar geleden al uit de Tweede Kamer verdwenen blaast de CPN na 73 jaar eind dit jaar definitief haar laatste adem uit. Leningrad wordt tenslotte ook weer Sint Petersburg. Zaterdag kwamen de CPN'ers nog een keer bij elkaar. Nog een keer konden de rode vlaggen uit de kast, g een keer hingen de actieleuzen aan de muur, nog een keer klonk De Internationale. Maar de geest van de CPN zal voortleven: de CPN was tenslotte slechts de tijdelijke gestalte van een duurzame idee.

“Als de chef van de zetterij kwaad was, gaf hij me een schop onder m'n kont en riep: vuile, rooie rothond. Maar verder had ik er geen last van dat ik communist was. De directeur wist het ook, hoor!” Felle blauwe ogen. Jochem is communist en blijft communist. “Ze hebben me wel eens uit de partij willen zetten, maar toen zei ik: 'Als jullie dat doen, kom ik in Amsterdam bij Felix Meritis de contributie onder de deur doorschuiven'. Nee, de CPN wordt vandaag niet opgeheven. Je neemt christenen hun geloof toch ook niet af.” Wat doet de 64-jarige Rotterdammer dan op het opheffingscongres van de Communistische Partij Nederland? Jochem buigt voorover. Kruimels van een gevulde koek kleven aan zijn mond. Hij spuugt het antwoord er uit: “Ik ben ook lid van Groen Links. Al vanaf het begin. Moet je al die jongeren hier zien. Dat betekent leven. Dat is toch goed.” Jochems vrouw komt erbij staan. Ze heeft in de groteaal van het Amersfoortse congrescentrum De Flint zitten luisteren naar het relaas over de boedelverdeling van haar partij. Honderdduizend gulden voor Groen Links, eenzelfde bedrag voor het blad Politiek en Cultuur, en 25.000 gulden voor de Indonesie-commissie, het Comite Februaristaking en het Nationaal Verzetsmuseum. “Oh, zit je hier.” Ze kijkt chagrijnig. Jochem bijt haar toe: “Houd onze plaatsen nou bezet.” Maar ze heeft zin in koffie en wil Jochem die voor haar gaat halen. Die plaatsen kunnen wel wachten. Zuchtend staat haar man op: “Ik moet even mijn echtelijke plichten gaan vervullen.” De zetter uit het Rotterdamse Overschie was liever op de trap blijven zitten om te praten over het verleden. “We zijn collega's”, zegt hij verrast aan het begin van het gesprek. “Nou, ja, jij werkt natuurlijk op de redactie. Ik kom nog wel eens op de krant. Krijg ik gratis koffie. Daar hebben we vroeger jaren voor moeten vten.” Bijna onverstaanbaar, met iets samenzweerderigs in zijn stem geeft hij een advies: “Je moet altijd de laatste vraag stellen.” Er komt een geheimzinnig lachje op zijn gezicht als hij ziet dat zijn opmerking niet wordt begrepen. “Je moet altijd vragen: wie zijn je vijanden?” Oke, Jochem, wie zijn jouw vijanden? “Van mij?”, reageert hij, verbaasd dat zijn advies direct wordt opgevolgd. “Ik heb twee vijanden: oorlog en fascisme.” Jochem is tegen geweld, moord, discriminatie en onderdrukking. ar hoe zit het dan met Stalin en de gruwelen die deze man op zijn geweten heeft? Jochem was toch al lid van de CPN in die tijd? Jochem draait er eerst omheen. Een heel relaas over een busvakantie in Oost-Duitsland en Polen, over hoe je met een brommertje stiekem de grens over kon glippen en dat Oostduitsers ook best wel goede buschauffeurs zijn. “Ja, ja, ik zal antwoord geven”, zegt hij als het busreisje is afgelopen. “Als Stalin en Paul de Groot naar Overschie waren gekomen en tegen me hadden gezegd dat ik mensen moest gaan doodschieten, weet je wat ik dan had gedaan?” Hij brengt z'n handen op heuphoogte en maakt de bij een machinegeweer horende maaibeweging. “Ik had twee mensen doodgeschoten. Ik laat me toch niet commanderen.” De CPN en Paul de Groot. Jarenlang waren ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. In 1938 werd De Groot algemeen secretaris van de twintig jaar eerder opgerichte CPN. Zijn heerschappij zou bijna veerg jaar duren. In 1977 viel de man die voor velen een mythe was geworden in een klap van zijn voetstuk. Na de desastreuze verkiezingsuitslag van dat jaar werd hij als 'partijvijand' ontmaskerd en uitgestoten. Zijn erelidmaatschap werd hem ontnomen. Zo ging dat bij de CPN. Je was goed of je was fout. Een tussenweg was er niet. De eenheid van de partij stond voorop. In het boek 'Alles moest anders, Het onvervuld verlangen van een linkse generatie' beschrijft voormalig adjunct-hoofdredacteur van De Waarheid, Elsbeth Etty, hoe sterk de invloed van De Groot in zijn gloriedagen was: “Zelfs in dat gremium (het politiek bureau - red.) werd niet zelfstandig nagedacht, maar gisten de coryfeeen al even gretig naar de juiste lijn, die slechts door een man, Paul de Groot, werd bepaald.” De Groot luidde in '77 zijn eigen ondergang in door de verkiezingsuitslag in een groot stuk in De Waarheid in onvervalst CPN-jargon te wijten aan 'passiviteit in de klassenst', 'lonken naar geloofwaardigheid bij de bourgeoisie' en 'geen enkele waakzaamheid tegen infiltratie door reactionaire agenten'. Het sloeg niet meer aan. De uitslag van de Kamerverkiezingen was voor de CPN het begin van een nieuw tijdperk. Truus Divendal, die als laatste voorzitter van de CPN de geschiedenis in zal gaan, herinnert er zaterdag aan. Met haar kleine, in een bloemetjes jurk gehulde brede gestalte komt ze nauwelijks boven het spreekgestoelte uit. Ze lijkt Ma Flodder. Heeft ook dezelfde luide stem: “We hebben toen een sluier weggetrokken”. Frits Reuter, oud-Kamerlid voor de CPN, zag dat veertien jaar geleden anders. Hij herkende in het wegzetten van De Groot oude CPN-trekjes. Zelf had hij daar eind jaren vijftig tijdens de ruzie over de communistische vakbeweging EVC ook mee te maken gehad. In een interview in de Haagse Post bekritiseerde Reuter in 1977 zijn vroegere partij naar aanleiding van de affaire-De Groot: “De CPN-leiding zegt dat niemand hem (De Groot - redheeft gesteund. Als dat niet waar is, en ik weet dat het niet waar is, dan betekent het dat die meningen zijn verdonkeremaand. Maar als het wel waar is, wat is dat dan voor partij die iemand 45 jaar aan de top heeft, hem bejubelt, hem erelid maakt en hem dan zo in de sloot gooit.” Reuter had geen hoge pet op van de politieke inzichten van De Groot. Zijn plotselinge Moskou-gezindheid in de jaren zeventig, terwijl in het decennium daarvoor kritiek even was toegestaan, had volgens Reuter weinig met pol)tiek en alles met prive-omstandigheden te maken. “De enige reden was dat De Groots zoon, Huib, leraar en grossier in gruwelverhalen over Rusland, getrouwd was met een Russische die heimwee had maar geen visum kreeg omdat de partij van haar schoonvader zo anti-Sovjet was. Nou, ze hebben inmiddels hun visum gekregen”, zei Reuter tegen de HP-verslaggever. Tijdens het opheffingscongres klinkt uit het spreekgestoelte de stem van Divendal: “We hebben na 1977 zeer kritisch naaet verleden gekeken. We hebben erkend dat we fouten hebben gemaakt.” Bij een begrafenis hoort over de dode niks dan goeds te worden gezegd, zo ook bij die van de CPN. “Het gaat vandaag niet om droevige verhalen”, zei Divendal eerder, dus laat ze het er verder bij. Het 'Rode Boekje' maar liever vergeten. Niet praten over dit rapport, dat officieel 'De CPN in de oorlog' heette en het in 1958 uitgesproken royement verdedigde van vooraanstaande CPNs als Henk Gortzak en Gerben Wagenaar. Deze mannen, die in de oorlogsjaren van de CPN een verzetsbeweging maakten, werden er in dat boekje van beschuldigd al in de bezettingsjaren 'agenten van het imperialisme' te zijn geweest. Aanleiding voor deze onverkwikkelijke geschiedenis was de ruzie over de vraag of de eigen communistische vakbeweging EVC moest blijven voortbestaan dan wel dat communistische arbeiders met andere progressieve iders moesten samenwerken. De twee, en met hen Reuter en vele anderen, dachten daar anders over dan De Groot. Met goed of fout tijdens de oorlog had de ruzie niks te maken. “Maar,” zoals oud-CPN'er Arnold Koper in 'Alles moest anders' schrijft, “omdat volgens de stalinistische mores mensen die het eenmaal met de partij aan de stok hebben gekregen nu eenmaal nooit konden hebben gedeugd, verscheen in 1959 op gezag van Paul de Groot en de zijnen het zogenaamde 'Rode Boekje'.” In 1982 lukte het Koper om het “schotschrift” ingetrokken te krin, maar excuses aan de geroyeerde en valselijk beschuldigde leden heeft de CPN nooit gemaakt. Koper en Etty behoorden tot de studentengeneratie die de CPN in de jaren zeventig haar tweede glorietijd bezorgde, maar ook haar ondergang inluidde. De eerste bloeiperiode van de CPN was na de oorlog. De onverzettelijkheid van de communisten tijdens de bezetting trok vele kiezersardoor de partij in 1946 tien Kamerzetels kreeg. Een kleine dertig jaar later zoekt een nieuwe generatie, geconfronteerd met de oorlog in Vietnam, het wegvallen van de kerk en de leegte van de luxe, opnieuw houvast bij de communistische partij. Koper legt het uit: “Van alle factoren die mij ertoe brachten communist te worden, woog de antifascistische cultuur waarin de CPN zich koesterde wel het zwaarst. De CPN was de partij van het verzet, van Hannie Schaft, van de Februaristaking, van mensen die op de moeilijkste momenten van hun leven een onberispelijke keuze hadden gemaakt.” Maar een onberisijke keuze toen garandeerde nog niet de juiste houding in de strijd die na 1977 ging woeden binnen de CPN. De vrouwelijke studenten die in de jaren zeventig lid waren geworden voelden zich aangesproken door een variant op een uitspraak van Marx: 'een man die een vrouw onderdrukt kan niet vrij zijn'. De arbeiders hadden het over 'die wijven die op de gang staan te vozen'. Maar de vrouwen, zo schrijft Etty, “waren het plotseling leuk gaan vinden bij de CPN, ot we via het vrouwenoverleg een eigen positie hadden veroverd.” In 1984 kwam het tot een breuk en richtte een aantal 'horizontalen' het Verbond van Communisten in Nederland op. Toch was het volgens Etty niet de feminisering die tot de ondergang van de partij heeft geleid, maar “de afgedwongen opheffing van het fractieverbod die de consensuspolitiek en de essentie van het democratisch centralisme voor altijd ondermijnde”. Divendal legt het in rond HoH)lands uit: “We hebben minderheidsstandpunten leren accepteren.” In 1982 kreeg de CPN een vrouwelijke Kamerfractievoorzitter, Ina Brouwer. Een gevolg van de vernieuwende invloed van de feministen? Volgens Etty niet: “Onverdraaglijk vond ik de aanstormende 'jonge turken' als Ina Brouwer die door zich te conformeren aan de partijleiding en een gematigde lijn volgden in mijn ogen het bestaan van een stalinistische CPN rekten.” Divendal refereert zaterdag, zonder namene noemen, aan dit zich afzetten tegen de CPN. “Niet iedereen heeft het veranderingsproces in de CPN kunnen volgen. Dat blijkt uit stukjes, dezer dagen, die een Koude-Oorlogsfeer uitademen.” Geheel in CPN-stijl wordt nog even een tik uitgedeeld. Marcus Bakker, ruim een kwart eeuw parlementarier, heeft alle veranderingen wel gevolgd, van het 'Rode Boekje' tot het verdwijnen van de partij uit de Kamer in 1986 en nu de wederopstanding in Groen Links. Zaterdag toont hij nog een keer de soepelheid van zijn geest. “Dat moet sint Peter zijn”, mompelt Bakker als de naam Lenin valt. “Waarom zijn wij communist gebleven?”, verklaart Bakker zichzelf, Jochem en de anderen. “Omdat wij, ondanks de vuiligheid, de onbekwaamheid en de onverantwoordelijkheid die uit naam van het communisme zijn begaan, willen blijven reiken naar het meest verhevene, een wereld van gelijkwaardigheid... De CPN was een tijdelijke gestalte van een duurzame idee.” Bij een begrafenis hoort een opbende woord over de geest die voortleeft. Dan klinkt tot slot nog een keer De Internationale: Sterft, gij oude vormen en gedachten.