Directheid van IOC-lid Anton Geesink verrast verliezend Salt Lake City; Een paar honderd vrienden minder

BIRMINGHAM, 17 JUNI. Drie dagen na de officiele opening door natuurlijk Her Majesty The Queen ruikt de congreszaal van het International Concention Centre in Birmingham nog zijn naar tapijt, maar de eerste tranen zijn er al in opgezogen. Japanners die huilen van vreugde omdat Nagano in 1998 de laatse Olympische (winter)Spelen van deze eeuw mogen organiseren, Amerikanen die in hun kinderlijke optimisme waren vergeten dat verliezen ook tot het miljoenenspel behoort. Salt Lake City ondervond dat zelfs wanneer de leden van het Internationaal Olympisch Comite het voor het zeggen hebben, de beste niet altijd wint.

Het is de eni opwinding na een weekje congresseren. Terwijl de meerderheid van het gezelschap IOC-leden zo snel mogelijk de uitgang van de zaal opzoekt, begeeft het enige Nederlandse lid van dit 94 leden tellende bestuurscollege, Anton Geesink, zich in het verliezende kamp. Achter de beteuterde gezichten leest hij de boosheid. Hij geeft tekst en uitleg. Nagano heeft het voordeel gehad dat Azie pas een keer eerder - Sapporo in 1972 - de organisatie van de Winterspelen eeft gehad. Waarom, wil de gouverneur van Utah weten, heeft het IOC dan niet meteen gezegd dat er al een geografische voorkeur was. “We hebben jullie toch ook niet gevraagd je kandidaat te stellen”, reageert Geesink. De directheid waarmee hij de problemen afhandelt verrast de Amerikanen. Ze zeggen het te waarderen, maar het Nederlandse IOC-lid weet: “Ik ben vandaag een paar honderd vrienden kwijtgeraakt. Degenen die wonnen, hebben me niet meer nodig en de verliezers zijn kwaad op me.” Hij heeft alle vijf de steden (Nagano, Salt LaCity, Jaca in Spanje, Aosta in Italie en Ostersund in Zweden) bezocht en overal kenden ze zijn mening. Na twee keer Europa (Albertville in 1992 en Lillehammer in 1994) konden de Europeanen hun actie wat hem betreft staken. Salt Lake City is volgens de evaluatiecommissie van het IOC technisch de beste kandidaat. In de campagne wezen de Amerikanen er zelfs op dat er voor de organisatie van de Spelen geen aanslag moet worden gepleegd op het milieu, een aspewaarvoor actievoerders uit de concurrende stad Nagano in Birmingham aandacht vroegen. Maar Azie, vindt Geesink evenals 45 van de 88 IOC-collega's, is er weer eens aan toe. Hij heeft die mening op schrift gesteld en wie het wil kan er een fotokopie van krijgen. Vrees voor het verwijt van Amerikanisering (Atlanta mag de Zomerspelen van 1996 houden) heeft bij hem geen rol gespeeld. Hij vind het een goede zaak dat het land vele miljoenen investeert in sportaccommodaties. Daar heeft de hele regio, denkt hij, profijt van.(EPOf voor het IOC geen taak is weggelegd om minder welvarende landen aan betere sportfaciliteiten te helpen? “Natuurlijk doet het pijn dat arme landen, waar geen goede infrastructuur is, de Spelen niet kunnen organiseren. Het staat voor mij al lang vast dat we als IOC ooit moeten proberen met onze steun daar ooit de Spelen te laten houden. Misschien moet je landen vragen een deel van hun ontwikkelings voor de infrastructuur van zo'n evenement ter beschikking te stellen.”Geesink is in de lijn van Nederlandse IOC-leden een uitzondering. Zijn voorgangers kwamen vooral uit de hogere kringen: baron Van Tuyll van Serooskerken, P.W. Scharroo, Charles Pahud de Mortanges, jonkheer H.A. van Karnebeek en Kees Kerdel. Geesink is een echte Utrechtse jongen die na de lagere school aan judo deed en de wereldtop haalde en zichzelf ontwikkelde. Een man die met zijn hart spreekt en al zijn de slagen van die taal soms wat onregelmatig, ze zijn allemaal gemeend. Anton Geesink (57)een mens onder diplomaten. Als geheimhouding is geboden wil hij soms de rol van sportbobo wil spelen, maar zelfs dan nog zou hij het liefste open kaart willen spelen. “Ik weet”, zegt hij, “dat mijn voorgangers gerespecteerd waren in Nederland. Ik hou van een andere, meer open manier van besturen. Binnen het IOC, maar ook in Nederland. En ik ben een participerend bestuurslid. Ik behoor niet tot de mensen die op de vergadering hun post nog open maken. Ik ben voorbereid, maak aanmerkingen. Besturen is een gezelschapsspel. Als iemand als Einzelganger bezig is, zeg ik dat.” Einzelganger. Als er een verwijt is dat Geesink van de Olympische bestuurders in Nederland krijgt is het wel dat hij als een solist door het sportieve landschap kuiert. Hij laat sportmensen een dopingconvenant tekenen (“Als signaal, niet met de gedachte dat je het daarmee kunt uitbannen”), praat met sponsors en zet volle kracht vooruit zijn actie voor een beter Olympische cultuur inederland voort. Maar solistisch? “Mijn beleidsplan ligt al drie jaar bij het NOC-bestuur. Alles wat ik wil staat er in, alles wat ik doe kunnen ze weten. Maar het komt nooit op een agenda.” Dus belde hij voordat hij een aantal sportmensen een verklaring tegen het gebruik van doping liet ondertekenen wel met de 'dopingprofessor' Manfred Donike, de Zweedse voorzitter van de atletencommissie Peter Talberg, IOC-president Juan Antonio Samaranch, ex-volleybalbestuurdPiet de Bruin. Maar niet met een NOC-bestuurder. Of hij het huidige NOC-bestuur op zijn daden wil beoordelen? functioneert het goed? “Ik weet het niet”, zegt hij. Maar bestuursleden zetten zich toch net als hem in voor de sport. “Daar wil ik geen antwoord op geven.” Is dat op zich al geen antwoord? “Ik wil het ze eerst zelf vertellen. Op de eerstvolgende vergadering van het bestuur.” In de bar van het Hyatt-hotel in Birmingham, een tijdelijke vesting van het IOC door de Engelse krant The Independent vanwege zich moeilijke toegankelijkheid een Colditz van glas en tapijt genoemd, prevelt de voormalige judoka wat felicitaties in het Japans wanneer hij voor de zoveelste maal wordt aangesproken. Vanachter een Nederlandse beugelfles bier vraagt hij zich af of hij toch niet als een klager over komt. “Ik constateer alleen maar. Ik maak me zorgen om het ontbreken van een Olympische cultuur in Nederland. Daarom ook hou ik me bezig met het meest kwetsbare el van de Olympische beweging, en dat is niet de topsport, maar alles daaronder. Het onzichtbare deel van de ijsberg. Er was geen atletencommissie, geen archief, geen Olympische academie. Ik wil een bijdrage leveren aan olympische dagen op scholen en probeer daarop in te spelen met een mobiele Olympische academie, een bus of een vrachtwagen op scholen met voorlichtingsmateriaal. We zijn brochures aan het ontwerpen. We kunnen zo'n honderdcholen per jaar behappen en bemannen”, de ideeen rollen als borrelnootjes over de tafel. Zo ook ervaren NOC-bestuursleden zijn optreden. Impulsief, onvoorspelbaar. “Impulsief is een voetballer die binnen een seconde moet beslissen wat hij met een bal doet. Ik heb uitvoerig over alles nagedacht wat ik doen. De situatie met het NOC is anders. Als morgen iemand aan je vraagt of je bij hem komt werken en je bent het er mee eens, maar er wordt geen datum afgesproken dan moeten ze niet gek staan te kijken wanneer je tien maanden later niet meer op de aanbod ingaat omdat je bij je eigen baas inmiddels promotie hebt gemaakt. En dan zeggen ze: 'maar je had toch je woord gegeven'. Zo zit mijn verhouding met het NOC ongeveer in elkaar. Ik heb er alles aan gedaan om de situatie in Nederland weer recht te krijgen.” In januari van dit jaar schreef hij een brief aan het NOC waarin hij liet weten wat meer afstand te willen nemen van het Nederlandse deel van zijn werk. “Dat nam aanvankelijk zeventig procent in bg. Maar congressen als dit vergen ten minste een maand grondige voorbereiding.” Toch gaat de 97ste zitting van het IOC als een historieloze de boeken in. Ze wordt beschouwd als een van de saaiste van de afgelopen tien jaar. Namibie is er als lid toegelaten, maar de toelating van Zuid-Afrika, die hier zijn beslag had moeten krijgen, is vooruitgeschoven. “Ik wil te allen tijde Zuid-Afrika erbij hebben. Net als iedereen. Maar er zijn in dat land bepaalde dingen gebeurd waardoor een achterstand is ontstaan. Ze moeten zelf het licht op groen zetten. Ideaal zou zijn als de beslissing algemeen was, al verwacht ik niet dat dat zal lukken.” Na de laatste zitting gistermiddag zeult hij, net als alle prinsen, baronnen, jonkheren en ex-topsporters, een enorme weekendtas over zijn schouder mee de vergaderzaal uit. “Veel papieren”, zegt Geesink, “je moet het allemaal doornemen. Ik blijf maar het liefste een beetje uit de buurt van Samarh, want voor je het weet zit je weer in een commissie.”