De stadsvernieuwing is dringend aan een nieuwe aanpak toe; Hou de projectontwikkelaar uit de wijk

De stadsvernieuwing heeft een nieuwe aanpak nodig. Daar zijn alle partijen het over eens. Trendgevoelige begrippen als sociale vernieuwing, kwaliteit, bouwen aan gouden randen, inschakelen van investeerders strijden om voorrang. Op zoek naar een nieuw idioom in de stadsvernieuwing, want het oude, dat zijn wortels heeft in de jaren zeventig, voldoet niet meer. Het is versleten, ook al omdat het voornamelijk een kwantitatief karakter had: zoveel mogelijk huizen van het vooroorlogse bestand aanpassen en anders slopen en vervangen.

De oudere terminologie van kleine beurt, grote beurt en vervangende nieuwbouw is afgeschaft. En niets geeft nieuwe ontwikkelingen zo mooi weer als een herziene titulatuur. Toch heeft de vroegere, vooral kwantitatieve aanpak zijn vruchten heeft afgeworpen. Verpaupering, verkrotting zijn tot staan gebracht. Foto's over de woonomstandigheden en de staat van de woningbouw in de oudere Nederlandse binnensteden tonen aan dat er in twintig jaar een eld aan misstanden is teruggedrongen. Een stad als Rotterdam heeft meer dan vijftigduizend vooroorlogse huizen verbeterd; dat is ongeveer net zo veel als het woningbestand van Leiden. Maar in Rotterdam moeten nog eens bijna dertigduizend vooroorlogse woningen worden verbeterd en dat - wegens verminderde rijkssubsidies - in aanzienlijk moeilijker omstandigheden. Het vooroorlogse bestand heeft men kwantitatief drastisch in de tang kunnen nemen dankzgrootscheepse aankopen door de gemeente. Maar het geld dat er toen voor beschikbaar was, is er nu niet meer. Bovendien was er begin jaren zeventig een grote druk van de bevolking om een eind te maken aan de woonmisstanden en leverde dit een sterke politieke ondersteuning op. Rode colleges konden hun gang gaan. Wie de verkiezingsuitslagen van het afgelopen voorjaar beziet beseft dat de ondersteuning van de socialistische aanpak er niet meer is en voor de toekomst niet meer dt gehonoreerd. Een nieuwe aanpak van stadsvernieuwing is dus extra moeilijk. In de eerste periode was voor sommige beleidsmakers ook duidelijk dat het mes aan twee kanten sneed. De door rijksbeleid gestimuleerde vlucht van economisch draagkrachtiger stadsbewoners naar de groeigemeenten was maar op een manier te stoppen: investeer alles in het weer leefbaar maken van de stad en kies voor stadsvernieuwing in de oude wijken. Inmiddels heeft die investering haar vruchten afgeworpen. De oudere stadsdelen zijn weer toJH)baar en bewoonbaar, zij het dat de stadsvernieuwing oude stijl ook veel lelijkheid heeft opgeleverd. Bijvoorbeeld: pokdalige straatwanden als gevolg van het uitgangspunt dat iedereen recht op een balkon heeft. En dan die bouw van afschrikwekkende, harde kunststof dakdozen op speculatiewoningen waarvan de oude gevel een simpele schoonheid vertoont. Deze 'containers' op de daken verschijnen nog steeds alsof de discussie over kwaliteit niet al jaren aan gang is. Elk diepliggend houten raamkozijn is verdoemd en moet een grof kunststofkozijn worden. Anderzijds zijn er ook voorbeelden van stadsvernieuwing die voorbeeldig kunnen worden genoemd. De stadsvernieuwing lijdt ook hevig onder de luxe-aanpak: wat scheef staat moet worden afgebroken ook al kan het nog tientallen jaren jaar scheef staan; wat een mindere fundering heeft moet als een rotte kies worden getrokken; functioneel goede huizen die niet voorkomep de inventarisatielijsten met potentiele monumenten zijn vogelvrij. Respect voor het bestaande (zonder dat tot heemschut-norm te verheffen) is er niet. Vernieuwing wordt maar al te vaak als dekmantel gebruikt om het anonieme te vernietigen. Voorbeelden in Rotterdam liggen voor het grijpen in een wijk als Middelland. Woningen uit het begin van deze eeuw, vaak met art nouveau-versieringen of met een inwendige grootte die ze bruikbaar maakt voor uiteenlopende doelgroepen. Ter vergelijking: de huizen in de Amsterdamse Concertgebouwbuurt of het Arnhemse Spijkerkwartier. Zo laten Rotterdamse gemeenteraadsleden in Spangen het blok IX van J.J.P. Oud slopen, terwijl in diezelfde buurt een strook van dezelfde architect op verzoek van een woningbouwcorporatie wordt verminkt, zonder dat de Welstandscommissie protesteert. Wie beweert dat vernieuwend beleid iets met kwaliteit te maken heeft? Of anders geformuleerd: een meerderheid van gemeenteraadsleden is zeer consequent in het vietigen, waar handhaven tot de reeele mogelijkheden behoort. Over de voorkeur voor sloop-nieuwbouw (wanneer bewoners er om vragen) boven behoud, bestaat geen misverstand. Anders dan in Amsterdam waar het omgekeerde uitgangspunt voor de Ring '20-'40 geldt. Het historisch gevoel is in deze stad sterker en sloop-nieuwbouw kan alleen als uitzondering (Victorieplein) worden ingezet. Het kwaliteitsbegrip dat een hoofdrol is toebedeeld in de Architectuurnota van VROM en WVC moet met een korreltje zout genomen worden, omdat veel aan de besluitvorming van de lagere overheden (gemeenten) wordt overgelaten. Hier begint de willekeur want gemeenten laten zich informeren door mensen die nog niet het kleinste sprongetje voorwaarts hebben gemaakt. Daar waar redding uitgesloten is, moet zonder twijfel nieuw worden gebouwd. Maar daar waar een kans op behoud is, dient die te worden aangegrepen. Roept de 'inspraak' om nieuwbouw dan gaat het mis wannede tegenkrachten niet optimaal georganiseerd zijn. Elk alibi om te slopen is dan goed: een enkel huis in een straatwand verzakt; geen stipnotering op een monumentenlijst; maatschappelijke problemen die om een oplossing vragen; een verkeersafwikkeling die beter kan. Dat het gaat om gebruiks-, culturele- en toekomstwaarde zal de daarmee belaste ambtenaren een zorg zijn. De bestendiging van een bestaand straatbeeld om zijn oorspronkelijkheid, zeggingskracht, cultuurhistorische wae, vormkwaliteit, belevingswaarde (begrippen uit de Architectuurnota 1991) wordt dan overschaduwd door de zogenaamde uitdaging van vernieuwing. De toekomstwaarde van gebouwen is vaak de twistappel: past het gebouw nog in die omgeving, is hergebruik mogelijk, wat is de economische waarde? Ook begrippen uit de Architectuurnota. Te weinig worden de stedebouwkundige waarden over de architectonische heengelegd. Dat kan ook niet wanneer men alleen de eigenijk bedient. Het probleem is dat te vaak alleen over nieuwbouw en niet over nieuwbouw in verhouding tot bestaande bouw, laat staan over behoud van oudbouw wordt gepraat. Men zou kunnen zeggen dat naast de zware en brede energiestroom, die gemeente en corporaties zelf jarenlang hebben ingezet voor de woningverbetering en nieuwbouw in de stad, er nu meer gebruik gemaakt wordt van de energiestroompjes die de eigenaar ontwikkelt. Dit vraagt de gemeente om een helder beleid (tern, organisatie, richtlijnen en aanpak) over welk stukje wijk of buurt onder handen wordt genomen. Als een particulier zich op die manier inzet, hoeft de overheid dat immers niet te doen. Op het moment dat de onzekerheid door slechte planning toeslaat, gaat deze energiestroom verloren en zal de gemeente moeten verwerven en aanpakken. Te zelden wordt door bewonersdeskundigen of projectgroepen of beoordelende ambtenaren de waae van die particuliere aanpak onderkend, terwijl juist daar een grote affiniteit met de buurt, de wijk en de woning is te bespeuren. Trots als basis voor behoud. Behalve de grootschalige stadsvernieuwing door de gemeentelijke overheid en corporaties versus de kleinstschalige aanpak door eigenaar-bewoners is er een nieuw fenomeen dat absoluut dodelijk lijkt voor achting voor het bestaande: de publiek-private samenwerking (PPS). Deze wijze van het binnenhalen van beleggers en ontwikkelaars in de gewone kouwe aardappelenbuurt is een van de onverwachte ontwikkelingen waarmee de soJH)aaldemocratische bestuurderen ons laten kennismaken. Of juist die groep nieuwelingen in de stadsvernieuwing thuishoort, is de vraag. Waarom dan toch al gevaren van deze samenwerking uitgemeten? Omdat de zogenaamd terugtredende overheid (financieel terugtredend of als sturende kracht terugtredend?) in zulke gevallen onmiddellijk een deel van haar normen en waarden tot inzet maakt van een doel dat samen met de beoogde partner moet worden bereikt. Delegger brengt een nieuwe doelstelling in de stadsvernieuwingswijk binnen: een ontwikkeling bewerkstelligen waardoor de buurt een opwaardering krijgt die parallel loopt met beleggers-ideeen over een goed verhuurbaar-verkoopbaar woningbestand. Goed is hier: rendabel. Zo'n gouden rand mag derhalve niet uitkijken op een multiculturele wereld waar Jan met de opgestroopte mouwen, Marie van driehoog achter, kunstenaars, migranten door elkaar leven met hun in burgerlijk opzicht ongemakkelijk of afwijkend gedrag. Desentimenten van een wijk waarin zo'n mix beeldbepalend is, zullen moeten worden overwonnen. Waar dit soort maatschappelijke duinlandschapjes zijn, dient de bulldozer der rechtschapen burgerlijkheid volle kracht voorwaarts te gaan. Hoeren en kleinere drugsdealers (harde criminaliteit blijft altijd buiten beeld) kunnen zo dankzij de beleggerswensen door de gemeente en de buurt in een gezamenlijk monsterverbond worden aangepakt en een wijk of een haven rder worden gestald. Totdat daar de vernieuwing aan de orde is. De belangwekkende energiestroom die wordt aangeboord met deze PPS in de stadsvernieuwing is niet alleen sociaal maatschappelijk vernietigend, ook in cultuur-historisch opzicht kent ze geen mededogen. Daar waar in Nederland PPS start, herkent men de ondergang van bestaande waarden, hoewel de overheid een sterke positie kan innemen via grondbezit en bestemmingsplannen. Soms is de ondergang acceptabel, omdat het 'algemeen beng' van de stedelijke vernieuwing alles dient te overschaduwen; soms ten onrechte, omdat men geen oog heeft hoe het (waardevolle) bestaande kan worden ingepast. Niet de ontwikkelaar-belegger wordt daar overigens op aangekeken, maar de overheid, de politici. Je zult maar eigenaar-bewoner zijn van een pand in een gebied waar een PPS-ontwikkeling is gepland. Het kleine particulier initiatief zal het altijd afleggen tegen dat grote; ook nog eens omdat dat laatste gewild is door de erheid. De stadsvernieuwing heeft een nieuwe weg ingeslagen, een weg die aanvankelijk alleen de stedelijke vernieuwing (IJ-oevers in Amsterdam, Utrecht City-project, het centrum in Den Haag, Ontwikkelingsplan Centraal Stadsgebied in Amersfoort, Sphinx Ceramique in Maastricht, Kop van Zuid in Rotterdam) leek te gaan. Alle voorbeelden van een hoge onontkoombare energiestroom, in een richting. Maar stadsvernieuwing is kleinschaliger, kwetsbaarder, heeft niet alleen wortels in de woon- leefcultuur van een wijk, maar heeft ook een fijnmazig net van partijen. Het gaat daarbij om wisselstroom, waarvan periodiek de intensiteit en de richting verandert.