De hartstochtelijke nadruk op het individu leeft nog steeds in India

Naar de vorm - districtenstelsel, geheimhouding, enzovoorts - lijken de regels van het kiessysteem van India van vreemde, Angelsaksische herkomst. Maar wat is de legitimiteit waarop het berust en die het al meer dan honderd jaar tot een wezenlijk deel van het Indische politieke bestel maakt, dat wil zeggen sinds de Engelsen het omstreeks 1880, om te beginnen in de grotere steden, invoerden?

Die legitimiteit ligt in Inda zelf. Dat vereist enige uitleg. De al millennia oude, klassieke Indische beschaving heeft, evenals de Chinese en de Europese, langs vele wegen geexperimenteerd met de fundamentele, maar tenslotte niet echt oplosbare problemen van chaos tegenover kosmos, dood tegenover leven en individu tegenover gemeenschap. Hier is het laatste dilemma aan de orde. Wat win ik erbij als ik mij schik in het grote geheel? Geef ik als individu, door voor mijzelf in de maatschappij een plaats, een geschikte nis, te zoeken, juist niet mijn enige en kostbaarste bezit, mijn individualiteit, prijs? Word ik dan niet meegesleept in een niet meer te onderbreken stroom van compromissen, van sjacheren en schipperen met mijzelf en met anderen? Lijd ik dan geen 'schade aan mijn ziel'? Ja, hoe kan een mens, tenzij hij de maatschappij de rug toekeert, ontsnappen aan het lijden, het bederf en de dood die hem binnen het ordelijk verband van de samenleng onvermijdelijk tot een obsessie worden? De Indische beschaving erkent makkelijker dan de onze het klemmende karakter van deze vragen en dekt ze niet zo gauw toe met een flauwe saus van sociaal gevoel en 'medemenselijkheid'. Een compromisloze keuze voor individuele authenticiteit, voor sannyas (verzaking), heeft daar grotere legitimiteit dan hier, waar men zo'n besluit al gauw als 'asociaal' bestempelt. Zeker dwongen de hardheid van het bestaan, de grilligheid van het klimaat, maar al te vaak tot loyaliteit aan de groep waarin men was geboren. Maar juist daarom werden die banden steeds weer tot obsessie. Het Indische dagelijks leven is doortrokken van het, in de praktijk zo moeilijk gestalte te geven, verlangen naar bevrijding uit de kring waartoe men veroordeeld lijkt, naar individualiteit. Deze onaantastbaarheid van het individu ligt ook aan de basis van de opvallende legitimiteit van het democratisch stelsel. Zeker is ook in Europa het respect voor het individu groot. Mar in India is de nadruk op de authenticiteit van het individu heviger, hartstochtelijk bijna. Alles wat ernaar verwijst is daarom al gesanctioneerd. Daaronder valt ook de keuze van de kiezer. In het stemhokje is een mens, al is het maar even, zo authentiek als hij maar kan zijn; zijn keuze daar heeft een niet te overtreffen gezag. Daarom is de Indische electorale democratie niet een Europees stekje, dat tot op heden wonder boven wonder aan een vreemd klimaat nog niet bezweken is, maar heeft zij, hoewel qua vorm gemporteerd, even diepe wortels als in sommige delen van Europa. Dat bijvoorbeeld Indira Gandhi in 1977 besloot de noodtoestand op te heffen en verkiezingen uit te schrijven, kwam niet alleen doordat zij slecht was voorgelicht over de te verwachten uitslag, maar ook omdat zij wist dat in India een electorale uitspraak over haar bestuur de onontbeerlijke, enige bron van legitimiteit zou vormen. En toen ij verloor, verhuisde zij zonder drama naar de oppositiebanken. Aan de andere kant echter heeft juist het feit dat in India het laatste woord altijd aan de kiezer is gebleven, ertoe geleid dat de rechtsstaat moest wijken voor een proces van voortwoekerende electorale politisering van bureaucratie en staat. Terwijl de verkiezingsuitslag onaantastbaar bleef, buiten bereik van geweld of factiestrijd, vervloeiden publiek en prive, politiek, politie en justitie. De praktijk zoals die sinds de jaren '70 is ontstaan, beoont niet meer de dienst aan het algemeen belang, maar politieke loyaliteit. De chain of command, eens het gareel van de bureaucratie, werd deels vervangen door onderhandelingen tussen op bevordering hopende ambtenaren en op campagnefondsen beluste politici. De inzet van dat samenspel werd vaak het gebruik van overheid en van de staatssector van de economie - van elke vijf rupees in India worden er twee daar uitgegeven - voor de ondersteuning va persoonlijke en electorale loyaliteiten. Het enorme uit de oude 'Nehruviaanse' planeconomie voortgekomen, maar steeds verder atrofierend publiek domein leverde in de vorm van benoemingen en contracten uitgebreide mogelijkheden tot opbouw en onderhoud van persoongebonden vote banks. Het is duidelijk dat zo een te zware wissel werd getrokken op de electorale schakel in het staatkundige mechaniek. De populistische campagnes van nieuwe partijen met hun loze of eigenlijk niet te finacieren beloftes maken de belasting van het systeem nog zwaarder. Maar een India zonder verkiezingen is ook voor de Indier ondenkbaar. Bovendien kan men erop wijzen dat het electoraat zich bewust is geworden van de centrale plaats die het inneemt. Meermalen heeft het - op centraal niveau in 1977, 1980 en 1989, maar op deelstaatniveau al wel vaker - regeringen en leiders, die hun al te corrupt of megalomaan leken, nederlagen bezorgd. De vrije en kritische pers in de grote centra zorgt voor een brede stroom van informatie en laat daarbij doorgaans de stem van het gezond verstand horen. Bovendien is er de tendens dat de wal het schip keert en dat, aanvankelijk buiten de zieke publieke sfeer om, een nieuwe generatie op sociaal, maar ook op economisch terrein het initiatief overneemt en ten slotte zelfs de partijen en de overheid nieuwe impulsen geeft. Sinds het begin van de jaren tachtig vallen inderdaad de talrijke initiatieven op, van sociale en emancipatorische aard, maar ook va prive ondernemers, die buiten overheid en corruptie om veel tot stand brengen. V.S. Naipaul sprak daarvan als over a million mutinies now (de ondertitel van zijn boek India van 1990). De overheid en de partijen moeten daarvan wel notitie nemen en erop inspelen om hun geloofwaardigheid te behouden en bij verkiezingen komen langzamerhand ook zij, die hun bekendheid aan deze beweging aan de basis ontlenen, naar boven. Wie niet met de maten meet van de Europse trias politica, ziet in de rijpheid van het Indische electoraat en in het vermogen - in principe onaangetast - van het Indische verkiezingssysteem om van onder op informatie, talent en opinie door te geven naar hoger politiek niveau, een reden tot optimisme. De oude Congrespartij, die in de jaren van Nehru, via interne partijdemocratie de kern van het politieke systeem vormde, bestaat nauwelijks meer. Maar misschien zal haar functie worden overgenomen door de weloverwogen wijze warop het electoraat eens temeer zijn rechten gebruikt.