Cambodja

Onder de kop 'Cambodja kan problemen zelf niet aan' (NRC Handelsblad, 6 juni) schrijft redacteur Lolke van der Heide dat het vredesberaad in Djakarta opnieuw op een debacle is uitgelopen.

Geen van de vier strijdende partijen is bereid geweest tot nu toe belangrijke concessies te doen. Zodra een doorbraak in zicht is, komen nieuwe onmogelijke verlangens op tafel, aldus Van der Heide, die de berechting van Po Pot daarvan als voorbeeld noemt. Ik ben het met hem eens dat die berechting in 1979 had moeten worden uitgevoerd. Dat het nu te laat zou zijn voor een berechting van de beulen van Demokratisch Kampuchea, omdat leiders van de Rode Khmer al tien jaar rond lopen in het internationale circuit van gerespecteerde politici, zegt echter meer over dat circuit dan over Hun Sen, die Khieu Samphan - contre coeur - meermalen de hand heeft gedrukt. Het zou logischer zijn als Westerse politici met het schaamrood op de kaken, alsnog met nieuwe vredesinitiatieven zouden komen.

Het belangrijkste, dat moet gebeuren is dat alle hulp van China en van andere landen aan de Rode Khmer wordt stopgezet. Zolang dat niet gebeurt zal deze organisatie elke regeling kunnen blijven torpederen. Dat is een probleem waar de Cambodjanen mee zitten, maar wat alleen de internationale gemeenschap kan oplossen. Belangrijke Westerse politieke leiders, zoals Baker en Mitterrand, hebben verklaard dat er geen sprake kan zijn van een terugkeer aan de macht van de Ro(H)de Khmer. In het VN-vredesplan voor Cambodja is echter bepaald dat alle partijen dezelfde politieke rechten hebben. Het is Pol Pot c.s. toegestaan deel te nemen aan verkiezingen. De Cambodjaanse premier, Hun Sen, heeft zich altijd met hand en tand verzet tegen de mogelijkheid dat leiders van de Rode Khmer, die verantwoordelijk zijn voor de dood van meer dan een miljoen Cambodjanen, een politieke rol zouden spelen in de toekomst van Cambodja. Dat lijkt meniet alleen uit humanitair oogpunt te billijken, zoals Van der Heide schrijft, maar dat lijkt me ook verstandige politiek.