Aftocht van de zaakwaarnemer

Lubbers penseelde afgelopen week in De Groene Amsterdammer weer eens een fraai landschap bijeen: “Nederland is een land met brede rivieren en het kenmerk daarvan is dat ze traag stromen”. Dat daarmee een treffend beeld wordt gegeven van de heersende regeerstijl valt moeilijk te ontkennen. Nederland is een land van kleine aanpassingen, langzame gewenning en vooralvan veel overleg. “We hebben in Nederland bewust gekozen voor een lange remweg”, peinst Lubbers. Hij doet een stap achteruit en monstert het landschap: nog een likje groen, het is bijna af.

Het zal wel een wijsheid zijn die voortkomt uit levenslange ervaring in ons bestel van politieke minderheden en na tien jaar heeft Lubbers recht op zijn eigen vermoeidheid, maar deze zorgzame berusting is teveel van het goede. Wat is de lange remweg van Lubbers anders dan een samengaan van politieke besluiteloosheid, bureaucratische rivaliteit en vetorechten van het maatschappelijk 'middenveld'? Het klinkt alsof de burgers zacht bij de hand worden genomen en zo rustig de nieuwe tijd onder ogen leren zien, maar het is juist deze eindeloze traagheid die velen van het landsbestuur vervreemdt. Natuurlijk, het gaat om het juiste midden tussen de verleidingen van afwenteling en omwenteling. Maar bij deze regering wint de verslaving aan de consensus het vooralsnog van de ernt van de maatschappelijke vragen waarmee Nederland worstelt. Juist omdat zoveel gesproken wordt over nieuwe evenwichten is de balans zoek. Wie de laatste twee jaar overziet, kan moeilijk tot een andere conclusie komen dan dat de 'rooms-rode consensus-molen' (de term is van Marc Chavannes) uiterst stroef maalt. Omdat Nederland een rijk land is vallen de kosten daarvan meestal niet zo op. Voor dze inertie zijn vele verklaringen, maar misschien ligt een voorname oorzaak in het zaakwaarnemerschap dat vooral bij christendemocraten en sociaaldemocraten tot een tweede natuur is geworden. De liberalen hebben wat dit betreft de beginselen aan hun kant, hetgeen hun praktische medeplichtigheid nog ergelijker maakt. Nooit spreken deze politici rechtuit, altijd kijken ze eerst over hun schouder. Waar het ook over gaat, voordurend dreinen oude en nieuwe belangenbewegigen op de achtergrond mee. Zelden wordt gezegd: wat de georganiseerde kiezers hiervan denken, merken we later wel, eerst denken we zelf. Te vaak spreken parlementsleden namens anderen. Die onwaarachtigheid ruik je van grote afstand. Als het stemmen op D66 iets betekent, dan toch wel dit: steeds meer mensen hebben genoeg van de zaakwaarnemers en verlangen naar politici die over de richel van het groeps- en partijbelang heen kunnen kijken. Het gebrek aan institutionele bindingen en verplichtingen strekt D66 tot voordeel en maakt haar in aanleg lichtvoetiger dan departijen die leven van hun wortels. Die wendbaarheid is een groot goed. Van Mierlo benut die vrijheid. Of de zijnen dat ook doen, is een andere vraag. Begin jaren tachtig leek het even alsof CDA en VVD zich uit de beknelling loswurmden. Hoe men ook oordeelt over de politieke keuzen die toen werden gemaakt, zeker is dat met een on-Nederlandse scherpte werd geprobeerd om de economie enigszins in het gareel te krijgen. Een heuse stroomversnelling. De toch bedachtzame liberae socioloog J.A.A. van Doorn concludeerde in 1984 opgewekt: “Een groot deel van het corporatieve netwerk is opzijgeschoven of onttakeld. (...) Wat zich momenteel voordoet is het herstel van de relatieve autonomie van staat en maatschappij”. (De interventiestaat, pagina 21 en 22). Dat was dus erg voorbarig: het remspoor was nog lang niet ten einde en werd allengs dunner. De verstrengeling van staat e maatschappij is zeer taai. De patronen van ruil en afhankelijkheid die zich decennia lang hebben gevormd worden niet met een pennestreek doorbroken. Een kritiek op het zaakwaarnemerschap zou daaraan een bijdrage kunnen leveren. Door de scheidslijnen tussen overheid en maatschappelijk 'middenveld' scherper te trekken kan de wederkerige bevoogding worden teruggedrongen. Want het is niet alleen de overheid die betuttelt in Nederland, maar ook omgekeerd wordt de politieke wilsvorming geblokkeerd door honderd-en-een deelbelangen die zich als bloedzuigers hechten aan de staat in al zijn geledingen. Daarin ligt de eenzijdigheid van de christendemocratische pleidooien voor een herleving van het 'middenveld'. Men stelt het voor alsof de samenleving beschermd moet worden tegen een oprukkende overheid, maar de overheid moet natuurlijk evenzeer tegen de oprukkende samenleving worden beschermd. De liefdevolle consensus-molen blijkt niet opgewassen tegen ingrijpende problemen als de hervorming van de verzorgingsstaat of de terugtocht die nodig is om een aanvaardbaar milieu te handhaven. De politieke partijen - de rooms-roden voorop, de liberalen aarzelend volgend - zijn zelf mede schuldig aan deze situatie. Hun zaakwaarnemerschap lokt als het ware de impasse uit. Deze wordt nog eens vergroot doordat het 'middenveld' steeds minder de schakel vormt tussen overheid en burger. De organisatiegraad was al niet zo hoog in Nederland en loopt verder terug. De politiek leeft teveel van de geregelde samenleing en orienteert zich te weinig op de ongeregelde. Op een moment dat de samenleving zichzelf vrijelijk desorganiseert, zijn andere politieke vormen nodig en vooral ook andere politici. De kiezer zweeft er lustiger op los dan ooit en wil niet alleen weten op wat men stemt maar ook op wie. Er is behoefte aan onthechte, onbevangener politici. Dus geen verzuilde pendelaars zoals Kamminga (VVD-KNOV), Van Dam (PvdA-VARA), Ruding CDA-NCW) enzovoorts. De zieke symbiose, waar deze carrieres model voor staan, is geen middel om de politiek dichter bij de samenleving te brengen, maar roept juist een gevoel van onbehagen op. Wat dat betreft is het een stap voorwaarts wanneer de minister van WVC de telefoon een keer niet opneemt als haar partijgenoot-voorzitter van de VARA aan de lijn hangt. Burgerschap als druk van 'onderop' heeft alleen maar zin als het gepaard gaat met een afscheid van het zaakwaarnemerschap 'bovenaan' de ladder. Gelukkig zijn de zaakwaarnemers minder eker van hun zaak aan het worden. We worden op dit moment geregeerd door partijen die niet echt meer weten wat ze waarnemen en vooral niet namens wie. Klinkt de frase op - “ja, maar 'de' mensen om wie het ons te doen is” - dan weet men: hier regeert de onzekerheid. Vooral in sociaaldemocratische gelederen begint de ontzuiling vastere voet aan de grond te krijgen. Althans veto's als die van de FNV (het ziektegeld in 1982) of van de VARA (mediapoitiek in 1986) liggen nu veel minder voor de hand en dat is goed. De vernieuwing van de PvdA betekent voor alles een boedelscheiding. Mocht dat lukken dan wordt het CDA nog eens eenzaam als het blijft leven van de steeds schralere echo's van de verzuiling. Het zaakwaarnemerschap is in morele zin goeddeels ontrafelt, maar blokkeert in bestuurlijk opzicht nog steeds een soevereinere politieke oordeelsvorming. De aftocht van de zaakwaarnemers is niet hetzelfde als het terugtreden van de overheid. Integendeel: binnen het beperkte domein van de politiek moet zelfbewuster worden gehandeld. Dit kabinet symboliseert op een pijnlijke manier hoe beide 'volkspartijen' klem zitten tussen de oude en de nieuwe tijd. Er was een rooms-rode coalitie voor nodig om aan te tonen dat het zaakwaarnemerschap failliet is. Ook al zijn de helden erg tevreden met zichzelf, de rivieren zullen sneller moeten gaan stromen in dit vlakke land.