Westerse media lieten zich de blinddoek omdoen

Drie maanden na het eind van de Golfoorlog heeft Interpress Service, het persbureau van de Derde Wereld, journalisten uit Azie, Afrika, Europa en de Verenigde Staten bijeengeroepen om te evalueren hoe in de pers de Golfoorlog is verslagen. De Jordaanse kroonpriassan, zelf een geoefend schrijver van colums, zette de toon in een toespraak die hij persoonlijk zou hebben uitgesproken ware het niet dat de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, juist die dag in Jordanie op bezoek kwam. De teneur van de toespraak van de kroonprins was dat de Westerse media - net op het ogenblik dat Jordanie druk bezig was zich open te stellen voor een vrije pers en voor pluralisme - ondanks hun nooit eindigende preken over hun professionele waardet hun verslaggeving over de Golfoorlog een schandelijk voorbeeld hebben gegeven.

Tijdens het daarop volgende debat kwamen enkele belangrijke, zelfs verbijsterende feiten naar voren. De Westerse media als geheel hebben in de Golfoorlog vrijwel zonder protest censuur geaccepteerd. Vrijwel alles wat het publiek op de televisie te zien kreeg en in de gedrukte media kreeg voorgeschoteld was de media ter hand gesteld op officiele briefings van de strijdkrachten en Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken of was afkomstig uit de pool van geselecteerde journalisten die werden rondgeleid in begrensde, door het leger uitgezochte gebieden aan het front.

Al die rapporten moesten, voor ze werden doorgestuurd, het fiat van de autoriteiten krijgen. Er waren geen Ernie Pyles of David Halberstrams of Roberts Fisks in het gebied, die hun directe waarnemingen en hun professionele oordeel over de militaire operaties gaven. Er was hts Peter Arnett die uit Bagdad en omgeving rapporteerde en ook hij had zich aan een censuur onderworpen die niet minder stringent was dan die van de tegenpartij. Daarnaast werd hij nog eens voortdurend zwart gemaakt, niet alleen door chauvinistische politici maar ook door collega's: voor hen was hij een 'paria', kortom een verstoten verslaggever.

Na bestudering van de Amerikaanse media hebben hoogsstaande waarnemers in de VS bovendien vastgesteld dat de telivisiekijkers en de krantenlezers er in het meen uiterst tevreden over waren dat de Amerikaanse regering de persmuskieten zo aan banden had gelegd; de media zouden immers slechts onverantwoordelijke, bemoeizuchtige en zelfs irrelevante instellingen zijn. Mensen kunnen met open mond voor hun televisietoestel zitten, maar kennelijk brengen ze geen respect op voor nieuwspresentatoren zoals ze dat wel deden voor Ed Murrow of Walter Cronkite. De belangrijkste basis onder het idee van persvrijheid - het vertrouwen van hetbliek - lijkt in zeer korte tijd te zijn uitgehold. De media, eens het machtigste bolwerk tegen pogingen van regeringen en andere machtscentra om het volk van 'het recht om te weten' te beroven, hebben hun reserves aan goodwill verkwanseld.

Afgezien van een paar eerlijke en nieuwsgierige waarnemers en organisaties als Interpress Service, die de wereld door de ogen van de Derde Wereld bekijken, lijkt niemand gentsseerd genoeg om de prestaties van de Westerse, en dan vooral de Amerikaanse media eens kritisch te bezien. De belangstelling van die waarnemers is gelegen in het feit dat de media uit de rest van de wereld het voorbeeld van de rijke wereld blind plachten na te volgen en zelfs woord-voor-woord en foto-na-foto de oppervlakkige en vertekende versie te reproduceren van de werkelijkheid die in de Golf werd gepresenteerd.

Maar heeft Interpress Service het er beter van afgebracht? Ja, hoewel niet veel beter. De journalisten van dat bureau hebben versluitgebracht van wat er gebeurde met mensen in Irak, Turkije en Jordanie en van de wanhoop van vluchtelingen. Maar hun armzalige begroting heeft hun niet in staat gesteld hun vleugels uit te slaan zoals hun thuisredactie graag had gewild.

Ik heb Judith Miller van de New York Times gevraagd waarom ze gezwicht was voor de censuur, terwijl haar krant toch altijd zo'n formidabele verdedigster van onbelemmerde persvrijheid is geweest. Ze antwoordde dat de autoriteiten accreditatie zouden hebben ingetrokken en dat ook haar collega-redacteuren dat niet op prijs zouden hebben gesteld. Ik vroeg haar vervolgens of het niet beter zou zijn geweest zich er al protesterend uit te laten schoppen in plaats van in te stemmen met de blinddoek. Derde Wereld-journalisten zijn daar toch altijd toe opgeroepen door het Internationale Persinstituut en andere bewakers van de vrijheid van meningsuiting? Die hebben ons toch altijd gevraagd te l zien waar we staan, ook al leverde dat het gevaar van gevangenisstraf en verbanning op?

Judith Miller vond die vraag niet prettig. Misschien probeerde ik iets teveel gelijk te krijgen. Misschien was het wel oneerlijk van haar te verwachten de omstandigheden uit te leggen waarin niet een maar honderden journalisten in gelijke mate verwikkeld waren. Ik heb haar dus maar laten staan, en ben naar Tom Wicker gegaan, ook van de New York Times. Als columnist en voormalig oorlogsverslaggever in Vietman spreekt Wicker uit er(Jring en had hij niet het gevoel te worden 'belegerd' door de journalisten uit de Derde Wereld en de kritische waarnemers. Hij vergaarde onbewogen materiaal voor zijn verhaal. Voor twee columns liefst, zoals later bleek.

Hoe moeten wij journalisten, uit Noord of Zuid, uit Oost of West, ons gedragen in zulke omstandigheden? Laten we het voorbijgaan als een slechte droom, als een van die nare dingen die gebeuren en zich nooit herhalen? Ik geloof van niet.

Delitici in Washington, Londen en Parijs, de hoofdrolspelers in de Golfoorlog, zullen hun ervaringen niet vergeten. Het patroon in hun optreden is te reconstrueren, vooral in dat van de Amerikanen: in Grenada, Panama en de Golf werden de media heel kort gehouden en daar konden ze zich niet van losmaken.

Nu die autoriteiten ook nog weten dat het publiek ontevreden is over die media zullen ze zeker de kans niet laten liggen om de pers, de elektronische en de geschreven pers, op haar pl te houden, de plaats zoals zij die zien: de wachtkamer van de openbare zaken. Daar zitten we dan, met de hoed in de hand, wachtend op de kruimels die ons vanaf de hoge tafel worden toegeworpen.

Journalisten zullen zich moeten realiseren dat nieuws in toenemende mate wordt 'gestuurd' en dat de verzamelaars van het nieuws steeds slimmer worden gemanipuleerd tenzij we erin slagen het vertrouwen van onze lezers en kijkers terug te winnen. hoog ontwikkelde communicatietechnologie, waarvan we allen dachten dat ze het democratische proces zou versnellen en de waarheid zou redden van de monopolies, is kwetsbaar: ze kan worden veroverd door regeringen die op grond van 'nationale veiligheid' hun zaak een ongenformeerd publiek zullen voorleggen. De Nieuwe Wereldorde zal worden ingeluid en ondersteund met militaire marsen, vlaggetjes en orkanen van patriottische demagogie. En wij journalisten zullen door de kijkcijfers en dalende oplagen worden gedwongen tot eeeschaamde grimas en verslag uitbrengen als ging het om de waarheid. Tenzij we natuurlijk durven als professionals op te treden.