Welvaart in sepia; Lowell - monument van het Amerikaans bankroet

Ooit hadden de scholieren van Lowell maar een doel: een diploma halen en zo snel mogelijk weg uit Massachusetts. De textielstad van de Verenigde Staten was een treurig monument van verloren voorspoed geworden. Maar de computers en de defensieindustrie brachten in de jaren tachtig redding. Lowell groeide zo snel dat de ontploffing niet uit kon blijven. Opnieuw staat de gemeenschap van immigranten en boerendochters met lege handen: failliet en werkloos. En de staat is te arm om bij te springen.

In de etalages aan Central street ligt vaak niet meer dan vergeeld kastpapier. De winkels daarachter zijn gesloten. Een paar restaurants zijn dichtgetimmerd en onlangs gingen twee banken over de kop. Van de 19de-eeuwse Hamilton textielfabriek (1825), de Appleton Mill en de Suffolk Knitting Company staan alleen de verwaarloosde karkassen nog overeind. De fabrieksgebouwen zijn te koop, te huur of te lease. Lowell, een industriestadje met 100.000 inwoners in de staat Massachusetts, twee uur rijden ten noorden van Boston, is zichtbaar in het slop geraakt.

Kevin Coughlin probeert de moed er in te houden. De joviale voorzitter van de Kamer van Koophandel van Lowell is is druk bezig om nieuwe leden te werven, maar hij is ook bezorgd. De plaatselijke economie krimpt, de werkloosheid stijgt snel.

''Hier vindt heel wat zelfonderzoek plaats. Wat is er gebeurd? Hoe konden we ons economisch zo prettig voelen en kon de bodem zo plotseling onder ons wegslaan?'' vraagt hij zich hardop af.

Het kantoor van de Kamer van Koophandel is gevestigd in een 19de eeuws gebouwtje waar vroeger de brandweer was ondergebracht. Het is een sober bouwsel, in de stijl van de Amerikaanse industriele revolutie. Misschien, zegt Coughlin, kwam de neergang zo snel omdat we te veel nadruk hebben gelegd op high tech. De collectieve euforie van de jaren tachtig heeft ons verdoofd. We hebben onvoldoende aandacht besteed aan de aanwijzingen dat er gevaar dreigde. Met een schok zijn we wakker geworden, de plaatselijke bevolking beseft dat ze een lange weg moet afleggen naar herstel van de groei waaraan ze gewend was geraakt. ''We hebben de riemen vastgemaakt voor een lange vlucht'', zegt Kevin Coughlin.

Lowell is een gebed zonder eind. Al bijna twee eeuwen van opkomst, ondergang en wederopstanding tekenen de geschiedenis van ''de stad die Amerika in het industriele tijdperk heeft geleid''. Textiel maakte plaats voor computers, maar de cycli van groei en verval zijn gebleven. Lowell staat model voor de recessie die Massachusetts in het Noordoosten van de Verenigde Staten op het ogenblik doormaakt.

Het begin lag aan de oevers van de onstuimige Merrimack rivier, waar omstreeks 1820 een industriele gemeenschap werd gesticht, genspireerd door de ideeen van de Britse utopische socialist Robert Owen. Zo'n 50 jaar voor de opkomst van de Nederlandse textielindustrie in Twente groeide Lowell uit tot de belangrijkste textielstad in de Verenigde Staten, gebaseerd op waterkracht uit de Merrimack en op arbeidskracht van boerendochters en immigranten. Maar toen in de loop van deze eeuw de textielindustrie wegtrok, raakte Lowell steeds dieper in verval. Pas eind jaren zeventig kwam de wederopstanding dank zij de komst van de computerindustrie. Lowell werd toen ook uitgeroepen tot nationaal park met de 19de-eeuwse fabriekscomplexen als monumenten van de Amerikaanse industriele revolutie.

Het miraculeuze herstel was van korte duur. De economische recessie in de Verenigde Staten, die in Massachusetts en de overige staten van New England eind jaren tachtig venijnig heeft toegeslagen, heeft Lowell niet onberoerd gelaten. Midden jaren tachtig was de werkloosheid verdwenen maar inmiddels staat al weer 13 procent van de werkende bevolking op straat en dat cijfer stijgt nog steeds. James Cook, de president van de Lowell Development and Finance Corporation (LFDC) zegt dat de situatie niet zo dramatisch is als twintig jaar geleden, toen de werkloosheid in Lowell 18 procent bedroeg. ''Als de regionale economie weer aantrekt, is Lowell de eerste gemeente om ervan te profiteren'', verzekert hij.

In de wachtkamer van de sociale dienst in Lowell lijkt een vergadering van de Verenigde Naties te zijn belegd. Aziaten, Latino's, blanken en zwarten zitten in een formicaruimte te wachten tot ze hun leed mogen vertellen aan de sociale werkers. Er wordt opvallend veel gerookt. Sigaretten zijn in gezondheidsbewust Amerika een teken van achterstand geworden.

De sociale dienst levert de gebruikelijke taferelen van de Amerikaanse onderkant; er wordt gehuild, scene gemaakt en berust.

Mary Claire Kennedy, werkzaam bij de sociale dienst, noemt de situatie in Lowell representatief voor die in andere delen van Massachusetts. ''De goede tijden zijn voorbij. Deze mensen hier hebben geweldige problemen.'' Het aantal bijstandsuitkeringen in Lowell is in een jaar tijd met 11 procent gestegen tot 7.337 gezinnen. Meestal zijn het gebroken gezinnen. De maximale bijstandsuitkering bedraagt 339 dollar per maand plus voedselbonnen waarmee gratis basisvoedsel - geen drank, sigaretten of verwennerij - in supermarkten mag worden meegenomen. Het gebruik van voedselbonnen ligt dit jaar een kwart hoger dan in 1990.

Het is niet veel, een bijstandsuitkering in de VS - en dan behoren de bedragen in Massachusetts nog tot de hoogste van het land. En niet iedereen heeft recht op bijstand, je moet er iets voor doen in de vorm van een opleiding en je mag niets meer bezitten. Wie zijn werk verliest, krijgt eerst een werkloosheidsuitkering, gemiddeld de helft van het oude salaris en maximaal 282 dollar per week. Het aantal geregistreerde werklozen in Lowell is in een jaar met vijftig procent toegenomen tot 15.448 in maart 1991. Het werkelijke aantal is vermoedelijk het dubbele, omdat de helft van de mensen zonder werk niet is geregistreerd. Nu de economische recessie voortduurt, heeft de federale regering besloten om de de uitkeringsatermijn van een half jaar met een kwartaal te verlengen. Die regeling geldt zolang de stagnatie aanhoudt.

Met een brede zwaai van zijn bruine Smokey Bear-hoed wijst Steve Cetone op de oude textielfabriek. ''Deze stad was gebaseerd op de uitbuiting van de werkende klasse!'' roept hij naar het groepje leeftijdsloze Amerikanen die zich gewillig laten rondleiden. Cetone is parkwachter in het Nationale Park van Lowell, het enige stedelijk-industriele nationale park in de Verenigde Staten. Terwijl hij de oude weefgetouwen, aangedreven door waterkracht en lange drijfriemen, in werking stelt, vertelt hij als een socialistische activist over de kinderarbeid, over de trillingen en het lawaai in de textielfabrieken waardoor de vrouwen die er werkten last kregen van verzakte baarmoeders, van gehoorstoornissen en van gesloopte gewrichten.

Zo was het niet bedoeld in 1814, toen Francis Cabott Lowell met een groepje vrienden de Boston Associates vormde en een miljoen dollar bij elkaar bracht om te ondernemen. Ze besloten in een bocht van de Merrimack rivier, bij de Pawtucket stroomversnellingen, een industriele gemeenschap te beginnen.

Het verval van de rivier wilden ze gebruiken om de houten schoepen te laten draaien die de energie moesten leveren om de machines in beweging te brengen.

Amerika stond nog aan het begin van zijn industriele revolutie en Francis Lowell was in Engeland geweest, waar hij de techniek van de weefgetouwen had afgekeken. Terug in Boston ontwikkelde Lowell een verbeterd weefgetouw. Zelf zou hij de industriele toepassing van zijn vinding niet meemaken, hij was overleden toen zijn compaan Kirk Boott in 1822 de Merrimack Manufacturing Company begon.

In de daaropvolgende jaren groeide Lowell uit tot een grote textielfabriek. Via een uitgebreid systeem van kanalen werd het water van de Merrimack rivier gebruikt om de turbines aan te drijven. Tientallen fabrieken verrezen, spinnerijen, weverijen, ververijen, drukkerijen en machinefabrieken. De spoorlijn van de Boston & Lowell Railroad in 1830 was de eerste van New England.

De arbeidskrachten werden aanvankelijk op het naburige platteland geworven. Lowell stond bekend als een 'net en moreel fatsoenlijk milieu' en de dochters van de Yankee-boeren uit New England trokken in groten getale naar de fabrieken.

Deze 'mill girls of Lowell' verdienden twee dollar per week voor een werkdag van 13 uur. Ze richtten een Female Labour Reform Association op, die zich inzette voor een tien-urige werkdag. Omstreeks 1840 volgden stakingen en loonkortingen; de textielbaronnen weigerden toe te geven en begonnen naar minder veeleisende arbeiders om te zien.

De boerendochters maakten plaats voor immigranten, eerst vooral uit Ierland, later uit Frans-Canada en aan het begin van de 20ste eeuw uit Griekenland. Lowell groeide in 1900 naar 100.000 inwoners, van wie 43 procent in het buitenland was geboren. Het hoogtepunt kwam in 1920, toen Lowell 113.000 inwoners telde van wie 34 procent eerste generatie immigranten.

Na de Eerste Wereldoorlog kwamen in het zuiden van de VS nieuwe textielfabrieken op, die goedkoper produceerden. In Lowell weigerden de fabrikanten hun produktie te moderniseren, ze kozen liever voor verplaatsing of sluiting van hun bedrijven. In 1922 ging de eerste fabriek dicht. ''De neergang van Lowell begon in 1922 en heeft vijftig jaar geduurd'', zegt Bill Merill, schooldecaan bij de Lowell High School. ''Zodra je in die tijd van de middelbare school kwam, had je als jongen maar een wens: zo snel mogelijk uit Lowell verdwijnen.''

Begin jaren zeventig was Lowell gevloerd. De laatste textielfabriek sloot, de lege fabrieksgebouwen waren overgeleverd aan de elementen, de stad verkommerde, de mensen waren apatisch geworden. Een paar bankiers, lokale zakenlieden en politici vonden elkaar in een reddingsactie voor hun stad.

Ze kwamen met een on-Amerikaans voorstel om een Ontwikkelingsmaatschappij op te richten waarin de lokale overheid, banken en bedrijfsleven zouden samenwerken aan een plan om de economie van Lowell te revitaliseren. Het plan berustte op een geniale inval: de vervallen fabrieksgebouwen van Lowell vormden de sterkste troef van de stad. Als Lowell er in zou slagen om zichzelf te presenteren als de eerste Amerikaanse industriestad, hadden de textielfabrieken nationale historische waarde.

Dank zij politieke invloed in Washington werd Lowell in 1976 uitgeroepen tot National Park, het enige stedelijk-industriele nationale park in de Verenigde Staten. ''We hebben Lowell als een historisch monument aan de federale regering gesleten'', zegt Jim Cook, de president van de Ontwikkelingsmaatschappij LDFC. ''Onze geschiedenis vertaalt zich nu in dollars.''

Jaarlijks staat op de federale begroting een bedrag van zo'n 10 miljoen dollar voor het Lowell National Park. Dat geld wordt gebruikt om de fabrieksgebouwen op te knappen, de kanalen te onderhouden en oude machines in ere te herstellen voor een industrieel museum. ''Als kind zwom ik in de kanalen waar nu rondvaartboten met toeristen varen'', vertelt Cook.

Dank zij de LDFC kreeg Lowell toegang tot federale fondsen. De federale subsidies werden omgezet in een stimuleringsfonds en daarmee werd het hoofdkantoor van Wang Computers naar Lowell gehaald. Wang was een klassiek Amerikaans succesverhaal: dr.

An Wang, een Chinese immigrant, bouwde een computerconcern van wereldformaat op. Ter ondersteuning van de uitbreidingen van Wang kwamen in Lowell een Wang Trainingscentrum en een Hilton Hotel.

Lowell krabbelde in adembenemend tempo overeind. In de gerenoveerde textielfabrieken vestigden zich kleine, veelbelovende computerbedrijfjes. Het Nationale Park begon toeristen te trekken. De verbouwde fabrieken werden voor een deel bestemd voor sociale woningbouw, voor een deel gingen de appartementen tegen yuppie-huren van 800 tot 1.100 dollar per maand van de hand. De versleten industriestad kreeg het aanzien van een high tech industriepark in een 19de-eeuws openlucht museum van fris-rode bakstenen fabrieksgebouwen.

Lowell profiteerde ook van de verhoogde defensie-uitgaven onder president Reagan. Massachusetts heeft een omvangrijke defensie-industrie, in Lowell is een fabriek met 3.000 werknemers gevestigd waar Patriots worden geproduceerd, de raketten die zo'n spectaculair succes waren in de Golf-oorlog.

In het kielzog van de grote defensie- en computerfabrikanten kwamen talloze kleine toeleveringsbedrijfjes. Nieuwe bedrijven vestigden zich of breidden uit, zoals Prince Macaroni, de grootste spaghetti-fabrikant van Noord-Amerika, en Courier Citizen, producent van Amerikaanse telefoonboeken en van bijbels die worden afgezet in Oost-Europa en ontwikkelingslanden.

Midden jaren tachtig was er voor iedereen werk, ook voor wie geen woord Engels sprak. Het economische succes trok werkzoekenden aan en enkele plaatselijke kerken haalden een nieuwe groep immigranten naar Lowell. Op een bevolking van 100.000 inwoners telt Lowell nu zo'n 30.000 Cambodjanen, de op een na grootste Cambodjaanse gemeenschap in de Verenigde Staten. In de oude immigrantenbuurten verschijnen Aziatische winkeltjes en restaurants. ''Immigranten hebben deze stad altijd levend gehouden'', zegt Kevin Coughlin, voorzitter van de Kamer van Koophandel en zelf van Ierse afkomst. ''De etnische verscheidenheid is een deel van de kracht van deze gemeenschap.'' Vorige maand werd het Cambodjaanse nieuwjaar gevierd, op de trappen van het gemeentehuis stonden boeddhistische priesters en de hoekige afstammelingen van de Ierse immigranten die het gemeentebestuur beheersen.

Politiek is een kwestie van immigrantengroepen in Lowell. Op een verjaardagsfeestje voor de Democratische afgevaardigde in het Congres namens het kiesdistrict Lowell zijn ze allemaal verzameld. De succesvolle zonen van Griekse immigranten, die een fortuin hebben verdiend in de farmaceutische industrie, zitten aan tafel met de kleinzonen van Frans-Canadezen en de achterkleinkinderen van Ierse immigranten. Op dit feestje in een Grieks restaurant is een Cambodjaan aanwezig. Hij heeft als een van de eersten het Amerikaans staatsburgerschap verworven en wordt gekoesterd door de plaatselijke politici.

De Aziaten in Lowell hebben nog geen politieke vertegenwoordiging, maar ze werken hard, vaak in twee banen, en ze drukken de Latino's uit de arbeidsmarkt. Bovendien houden ze hun familiestructuur in stand. Ze delen hun overbevolkte huisvesting door in ploegen te slapen, en hechten grote waarde aan onderwijs.

Op de Lowell High School is het aantal Aziatische leerlingen in enkele jaren tot 39 procent gegroeid. Voor de scholen brengt de komst van zoveel nieuwe immigranten grote problemen met zich mee, vertelt schooldekaan Bill Merill. Een groot deel van de Aziaten is minder dan vijf jaar in de VS en spreekt geen Engels. Er zijn gespecialiseerde leerkrachten nodig en tolken die verschillende Cambodjaanse dialecten spreken. Dat kost geld.

Maar geld is er niet, nu de recessie heeft toegeslagen. De gemeentelijke inkomsten nemen af en op de afdrachten van Massachusetts aan de gemeenten wordt gekort omdat de staat zelf dit jaar 2 miljard dollar moet bezuinigen. De gemeenteraad van Lowell heeft daarom besloten om 200.000 dollar die dank zij een zachte winter over was op de begroting voor sneeuwbestrijding, over te hevelen naar onderwijs.

Niettemin zijn halverwege het schooljaar 34 leerkrachten - 15 op de middelbare school - ontslagen. De bezuinigingen zijn opgevangen door de klassen groter te maken en naschoolse bezigheden op te heffen.

Ontslagen vielen er ook in de industrie. Wang, het paradepaardje van de jaren tachtig, heeft zijn personeelsbestand ingekrompen van 10.000 naar 6.500. Het nieuwe gebouw van het Wang Trainingscentrum is begin dit jaar verkocht aan een plaatselijke universiteit. Het Hilton hotel, waar de bezoekers van Wang werden ondergebracht, ging vorig jaar failliet en is door de schuldeisers verkocht aan een bank in California.

De federale bezuinigingen op defensie raken Lowell eveneens. De producent van de Patriot-raket is begonnen personeel te ontslaan. ''De stemming is klote'', zegt een medewerker van Raython, die zijn afscheidsfeestje van het defensieconcern houdt in een plaatselijk cafe. Met een groepje collega's viert hij zijn vertrek in grote dronkenschap. Het bedrijf gaat door met de produktie van raketten, vertelt hij. Maar voor onderzoek is geen geld meer en nu verliezen de ingenieurs en elektronica-specialisten hun baan. Er zullen nog veel ontslagen volgen. Zelf gaat hij met het geld van zijn afvloeiingsregeling eerst een paar maanden surfen in Hawai.

''Ik heb het in Lowell voorgoed gezien'', roept hij vrolijk als hij ondersteund door zijn vriendin naar huis vertrekt.

Zo staat in Lowell, na de teloorgang van de oude textielindustrie, de hooggespannen verwachtingen en de eerste golf van ontslagen in de high tech, voor nieuwe onzekerheid.

De Lowell Institution for Savings, opgericht in 1829 als de bank voor de spaarcenten van de boerendochters die in de eerste textielfabrieken gingen werken, symboliseert de snelle omslag. Op het hoogtepunt van economisch optimisme in de jaren tachtig besloot deze spaarbank te veranderen van een bedaagde stichting met een bestuur van notabelen in een dynamische bank met winstbeluste aandeelhouders. De lokale belangstelling voor de aandelen van de Lowell Institution kon niet op. Mensen namen een extra hypotheek op hun huis of spraken hun pensioengeld aan om een aandeeltje te kopen. De koers schoot aanvankelijk omhoog, van negen tot twaalf dollar. Maar toen de plaatselijke economie begon te haperen, leed de Lowell Institution for Savings verlies na verlies op zijn portefeuille uitstaande leningen. De president van de bank is onlangs ontslagen en het aandeel is nog maar tien dollarcent waard. Binnenkort wordt deze bank, het laatste overblijfsel uit de pionierstijd van de textiel, bankroet verklaard.