Voorlichting Rijk 'weinig systematisch'

DEN HAAG, 15 JUNI. Voorlichtingscampagnes van het Rijk worden volgens een vandaag verschenen rapport van de Algemene Rekenkamer dikwijls weinig systematisch voorbereid, uitgevoerd en op hun effecten onderzocht.

De Rekenkamer heeft onderzoek gedaan naar 70 voorlichtingscampagnes van 1985 tot en met 1988 zijn gevoerd.

Voor deze campagnes werd in totaal bijna 78 miljoen gulden uitgegeven.

Van een op de vijf Postbus 51-campagnes (tv-spots en brochures) zijn bij de ministeries bruikbare en vergelijkbare gegevens bekend over de mate waarin de doelgroep is bereikt.

Van elf nader onderzochte voorlichtingscampagnes bleek alleen bij de AIDS-campagne (ministerie van WVC, (f) 6.526.540) vooraf rekening te zijn gehouden met een onderzoek naar de resultaten. In de meeste gevallen is niet nagegaan of de campagnes inderdaad verandering hebben teweeggebracht in kennis, houding of gedrag.

Waar achteraf wel gegevens over het effect van campagnes beschikbaar waren, is gebleken dat de resultaten 'betreurenswaardig' afsteken bij de vaak ambitieuze campagnedoelstellingen, aldus de Rekenkamer. Enkele campagnes hebben zelfs tot geen enkele verandering geleid in de houding van de doelgroep, terwijl dat wel de bedoeling was. Dikke onvoldoendes geeft de Rekenkamer aan de campagnes Wijs op reis (Buitenlandse Zaken, (f) 523.000), Verdraagzaamheid (Binnenlandse Zaken, (f) 2.573.000) en Isolatie (VROM, (f) 425.000).

Reacties van bewindslieden op de resultaten van het onderzoek naar de voorlichtingscampagnes zijn onderdeel van het Rekenkamer-rapport. Minister-president Lubbers merkt onder meer op dat wanneer doelstelling van campagnes bescheidener worden geformuleerd de haalbaarheid ervan groter is. Hij vraagt zich af waarom de Rekenkamer de rol van reclame- en adviesbureaus van buitenaf die campagnes uitvoerden niet in het rapport aan de orde heeft gesteld. Daar is bewust van afgezien, aldus de Rekenkamer: “Ook indien een campagne extern - maar onder verantwoordelijkheid van de minister - wordt uitgevoerd, moet het ministerie een doelmatige uitvoering bevorderen en daarop vervolgens toezien.” De Rekenkamer beaamt de opmerking van Lubbers dat er de afgelopen jaren veel “het nodige is verbeterd”, maar voegt eraan toe dat dit lang niet op alle onderzochte punten geldt.