VAN HET GOLF-FRONT GEEN NIEUWS; Hoe de media faalden in hun oorlogsverslaggeving

Reporter in Bagdad door Alfonso Rojo 336 blz., Nijgh & Van Ditmar 1991, vertaling Judith Uyterlinde, Esther Reys en Wendy Ripassa (Diario de la Gu, 1991), f 34,90 ISBN 90 388 6561 9

In militaire academies overal ter wereld, wordt aan het begin van het komende cursusjaar de syllabus 'Golfoorlog'

uitgereikt. De officieren van morgen kunnen heel wat leren uit de nu vrijwel beeindigde schermutselingen in het Midden-Oosten over het belang van beweeglijkheid, het nut van vooruitgeschoven bevoorrading, de steelsheid van de Stealn de precisie van precisiebombardementen.

Te vrezen valt dat aan de opleidingen voor journalistiek de operatie-Golfcrisis nog niet zo snel in handzaam lesmateriaal zal worden omgezet. Dat is jammer, want van mislukkingen valt minstens zoveel te leren als van succes, maar daarvoor is de verwarring over de rol van de pers in de afgelopen maanden nog te groot. Wat even de eerste van minuut tot minuut weergegeven militaire operatie in de geschiedenis leek teden, verkeerde al snel in een ondoorzichtig geheel waarin de journalistiek stens zoveel verwarring zaaide als opheldering verschafte.

Op zijn best was het af en toe 'een flipperkasten-oorlog', zoals H. J. A. Hofland hem heeft genoemd. In het ergste geval heeft de Golfoorlog zelfs helemaal niet bestaan en was het alleen een verzameling punten en lijnen op ons televisiescherm, zoals Jean Baudrillard al, heel koket, in Liberation heeft betoogd.ieder geval staat vast dat de pers tot de verliezers behoorde in het conflict, zeker gezien de enorme hoeveelheid tijd, mankracht en energie die is genvesteerd in pogingen om er verslag van te doen.

Had Saddam Hussein werkelijk reden om te denken dat hij ongestraft Koeweit kon annexeren? Waarom werd de emir niet op tijd vanuit Washington gewaarschuwd? Wilde Irak inderdaad ook Saoedi-Arabie binnenvallen? Was de komst van de geallieerden een verzoek van Riad of een idee van de Verenigde Staten? Hoe sterk was het Ire leger werkelijk? Was Bagdad al een eind op weg naar een atoombom? Welk percentage van de geallieerde bommen en raketten trof het beoogde doel? Waarom is er geen sprake geweest van Palestijnse hulp voor Irak in de vorm van terrorisme? Hoeveel Iraakse soldaten werden op de vlucht neergeschoten? Hoe sterk is het leger van Irak nu nog? En blijft Saddam Hussein nu echt nog heel lang aan de macht? - Dat zijn maar een paar van de vragen waarop het antwoord tot dusver niet gevondis.

Er is in de afgelopen maanden veel geklaagd over de strenge regie waaraan journalisten in het Midden-Oosten onderworpen waren en over het gebrek aan toegang tot informatie die er werkelijk toe deed. Die klach ten waren maar voor een deel terecht, en de verontwaardigde toon waarop ze vaak werden geuit, doet zelfs een beetje onoprecht aan. Militaire censuur is immers sinds het ontstaan van een min of meer vrije peeerder regel dan uitzondering geweest. Dat er in Vietnam probleemloos helikopter-in, helikopter-uit kon worden gehopt, was zo'n uitzondering.

Vanuit strategisch oogpunt was het een duidelijke vergissing omdat het thuisfront erdoor werd verzwakt, en in volgende conflicten - de Falklands, Grenada, Panama - was de fout dan ook al lang weer rechtgezet.

Daarmee werd teruggegrepen op een vroegere situatie: in de Tweede Wereldoorlog waren de correspondenten ook geen onafhankelijke waarnemers. Ze droegen gewoon een uniform. Men zich bovendien afvragen of het geallieerde commando echt wel zoveel minder toegankelijk was als de gemiddelde Raad van Bestuur tijdens een overnamecampagne of de top van een ministerie wanneer een bezuinigingsronde wordt voorbereid. Het verschil is natuurlijk dat de ogen van de wereld de afgelopen maanden wel heel erg nadrukkelijk op het Midden-Oosten waren gericht. Of beter gezegd: dat de wereld de ogen van haar journalisten naar het Midden-Oosten had gebra De druk om dan ook inderdaad iets te zien en naar huis door te geven, is ontzagwekkend groot. Aan de ene kant omdat de vrije markt-economie zulks instigeert: wanneer het publiek nieuws vraagt, zij er nieuws, en de concurrent doet het nu eenmaal ook. Anderzijds omdat de meeste journalisten heus liever moe zijn dan lui. Wat voor slechtigheid men in het algemeen ook over deze beroepsgroep moge beweren, lijntrekkers zijn de meesten niet.

GEEUWHONGER

Televisie-verslaggevers hebben uiteraard het meest te lijden wanneer hun, zoal Saoedi-Arabie, Koeweit en Irak, grote beperkingen worden opgelegd. Door hun geeuwhonger naar bewegende beelden zijn ze uiteindelijk gedwongen om dan maar gebruik te maken van wat hun aangeboden wordt, ook als dat eigenlijk niets bijzonders is. Voor duiding, commentaar, abstractie is hun medium zowel te ingewikkeld als te primitief. Ondanks haar ruimere mogelijkheden en haar grotere bewegingsvrijheid heeft de ijvende pers het er echter niet heel veel beter van afgebracht. Ook zij was vaak slachtoffer van een gebrek aan informatie, gepaard aan grote werkdrift.

Waartoe dat gevaarlijke mengsel kan leiden, werd tijdens de crisis fraai gedemonstreerd in het minuscule koninkrijk Jordanie, waar zeker tweeduizend verslaggevers uit aller 's heren landen waren gestationeerd. Nu viel niet te ontkennen dat deze vlek op de kaart theoretisch interessant was door de ligging tussen Irak en Israel en dank zij de aanwezighein meer dan een miljoen Palestijnen. Daar stond echter tegenover dat er niets, maar dan ook helemaal niets gebeurde tijdens de Golfcrisis. Dat viel ook niet te verwachten: de gewiekste koning Hussein hield immers zijn volk rustig door sympathie te betuigen voor Irak, en maakte er internationaal gezien het beste van door zich niet in de strijd te mengen.

Niets aan de hand dus in Jordanie? Je zou het niet gezegd hebben bij het zien van het gedrang op het dak van het IntercontinenHotel, vanwaar de televisieverslaggevers tegen de schilderachtige achtergrond van de witte huizen van Amman hun verslagen uitzonden. Of bij het lezen van de talloze 'analyses' en voorspellingen die maandenlang met de dateline Amman in kranten en tijdschriften werden afgedrukt. (Ach, de magie van de dateline ... maar dat is weer een ander verhaal.) Eerlijk is eerlijk: een groot deel van de daar residerende journalisten was er omdat het de enige plek in uurt van Irak was waar je zonder visum heen kon gaan in de hoop alsnog tot Bagdad te worden toegelaten. Maar in veel gevallen hadden we er beter aan gedaan als we ons dan ook maar tot wachten voor de Iraakse ambassade, vlakbij het hotel, hadden beperkt.

DAGBOEK

Deze lange inleiding is nodig om enige prijzende woorden te kunnen wijden aan een boek waarin ook al bijzonder weinig nieuws staat over de Golfoorlog. Het is het dagboek van Alfonso Rojo, een van de journalisten die - deels door toeval, deels dij persoonlijke moed - in Bagdad bleven toen de meeste correspondenten hun biezen hadden gepakt.

De situatie is bekend: op 19 januari beval de Iraakse regering de tijdelijke uitwijzing van vrijwel alle Westerse journalisten die nog werkzaam waren in Bagdad. Pas op 31 januari kwam een aantal van hen weer terug. Van de televisieverslaggevers mocht alleen Peter Arnett blijven. Deze reporter van het Amerikaanse kabel-nieuwsstation CNN was belangrijk voor het regime omdat vem de door Bagdad gewenste beelden de wereld in konden worden gestuurd; beelden van slachtoffers onder de burgerbevolking of beelden van een exclusief vraaggesprek met Saddam Hussein zelf. De keuze van CNN was niet toevallig: de formule van het station, die gebaseerd is op het zo snel mogelijk doorgeven van alle beschikbare materiaal, was de beste garantie dat de boodschap van Bagdad ongeschonden - dat wil zeggen zonder selectie of reflectie - het Wes- ten zou bereiken. (EPCNN maakte aanvankelijk veel ophef over Arnetts aanwezigheid in de Irakese hoofdstad, maar moest zijn claims in de loop van de dagen nogal afzwakken. Van 'de enige Westerling in Bagdad' werd hij 'de enige journalist', vervolgens 'de enige Westerse journalist' en ten slotte 'een van de weinige Westerse journalisten'. Alleen dat laatste was waar. In Bagdad zijn gedurende de hele oorlog honderden Europeanen geweest: Franse, Belgische en Pe priesters; Engelse, Tsjechische en Hongaarse gevangenen; Russische diplomaten; medewerkers van het regime van Duitse of Nederlandse afkomst en tenslotte een groepje journalisten, onder wie een drietal Russen en de Spanjaard Alfonso Rojo.

Slechts wie staat op het predikaat 'Westers' - en daarbij de niet meer actuele scheiding tussen Oost- en West-Europa aanhoudt - kan volhouden dat Rojo en Arnett met z'n tweeen een duel uitvochten in de verlatenheid van het immense Al-Rashid hotel. Dat zij bleven, uiteraard moedig, maar ze waren niet moediger dan hun collega's uit Algerije, Marokko, Jordanie en Libanon die eveneens vanuit Bag-dad bleven berichten, en door een uit de koers geraakte bom of raket net zo hard konden worden getroffen. Waarom de Iraakse au-toriteiten prijs stelden op de aanwezigheid van Arnett, is duide lijk, maar waarom ze de correspondent van een klein krantje uit Madrid tolereerden, ligt niet erg voor de hand. Rojo veronderstelt dat het iets te maken h met de bijzondere positie van Spanje, dat door de Iraki's als min of meer neutraal zou worden gezien. Een gedachte die wellicht wordt ingegeven door het half-Arabische verleden van de natie en door het feit dat Spanje grenst aan de Maghreb. Inderdaad heeft Spanje onder de geallieerde naties een enigszins bijzondere, en enigszins onderbelichte, rol gespeeld. Het was de eerste coalitiepartner die Saddam Hussein uit het verband probeerde los te peuteren toen hij in het najaan 1990 zijn koehandel met de gijzelaars begon. Het was ook een van de naties waarover hij nog tijdens de oorlog in warme bewoordingen sprak, alsof ze oude vrienden waren die alleen maar tijdelijk waren afgedwaald van het rechte pad.

In werkelijkheid gaf de regering-Gonzalez bijzonder weinig aanleiding voor deze opvatting. Madrid stuurde drie oorlogsschepen naar de Golf en liet vanaf een basis in Zuid-Spanje B-52-bommenwerpers opstijgen richting Irak. Ik vermoed dan ook dat het aanbod om te blijven meer teen heeft gehad met de persoon van de verslaggever dan met zijn landsaard.

Rojo is, in tegenstelling tot Arnett, een aardige en buitengewoon onderhoudende jongen, die in Bagdad veel vrienden heeft weten te maken - van het hotelpersoneel, via de pauselijke nuntius en de militaire attache van de Sovjet-ambassade tot het hoofd van de protocollaire afdeling van het ministerie van informatie toe. En vrienden kunnen maken, is een belangrijke eigenschap voor een verslaggever.

BELONING

Het aanbod 'nog een dagje te blijven' werd Rojo heel informeel gedaan, in een fluisterend terzijde door de protocolchef, en met hem kreeg Stefano Chiarini, correspondent van het Italiaanse dagblad Il Manifesto, dezelfde kans.

Volgens Rojo weigerde Chiarini omdat hij net een plek in een auto van de Italiaanse staatstelevisie had veroverd richting grens. Chiarini zelf zei me onlangs dat er nog een andere reden was waarom hij geen ja had kunnen zeggen: het zijn krant, een radicaal dagblad dat zich tegen de Italiaanse deelneming aan de oorlog kantte, ernstig in diskrediet gebracht. Als hij van alle Italianen als enige had mogen blijven, was dat in Rome als een beloning van Saddam Hussein voor de redactionele koers van Il Manifesto opgevat.

Ook El Mundo, de werkgever van Alfonso Rojo, verzette zich tegen de oorlog en tegen de rol van het eigen land daarin. In Spanje was dat verzet echter nogal wijd verbreid, al maakt Rojo zelf niet de indruk dat hij het van harteunt. In het algemeen heeft hij meer belangstelling voor het verzamelen van gegevens dan voor het innemen van standpunten, en hij hoedt er zich netjes voor die twee categorieen te vermengen. Zijn hoofdredacteur heeft minder scrupules. 'Zeg hen dat we de krant zijn die zich het hevigst tegen de oorlog verzet,'

raadt hij zijn verslaggever aan wanneer hij hem vraagt Iraakse reacties te verzamelen op de stationering van B-52-bommenwerpers in Spanje. Rojo gaat braaf, maar met lichte tegenzin het werk. Geen mens in Bagdad weet wat een B-52 is.

Uiteraard is er echter wel een voorlichter te vinden die de bedoeling van El Mundo begrijpt, en die bereid is te verklaren dat 'de Iraki's en miljoenen andere Arabieren dit nooit zullen vergeten', dat dit 'incompatibel is met de traditionele banden tussen Spanje en de Arabische wereld' en dat het'imago van Spanje in de ogen van het volk van Irak enorm wordt geschaad'. Precies de woorden de hoofdredacteur nodig had, kortom.

AANSLAGEN

Probleem is alleen, dat de functionaris in kwestie niet met naam en toenaam geciteerd wil worden als het gaat om de concrete schade die Spanje door de hulp aan de Amerikanen kan verwachten. 'Zeg dat men in Bagdad fluistert dat aanslagen tegen Spaanse doelen zullen worden gepleegd,' suggereert de ambtenaar. Ondanks Rojo's aandringen staat hij op anonimiteit.

'Schrijf mijn uitspraken maar toe aan de hoofdredacteur van de Bagdad Observer en datr de aanslagen aan mensen op straat,' zegt hij tenslotte. Ik heb het niet nagekeken, maar je kunt je voorstellen hoe zoiets uiteindelijk in de krant verschijnt. 'Relaties tussen Spanje en de Arabische wereld voorgoed verstoord, aldus een hoge regeringsfunctionaris' en: 'Bagdad bereidt aanslagen op Spaanse doelen voor.' Allemaal het gevolg van een zeurderig gesprek in de hal van het hotel.

Het boek van Alfonso Rojo staat boordevol met dit soort anekdotes, die weinig zeggen over heden, vden en toekomst van Irak, maar des te meer over de manier waarop ons beeld van dit land in de afgelopen maanden tot stand is gekomen. De rode draad in de vertelling is het verloop van de oorlog, maar de substantie en het belang ervan worden gevormd door zaken die er slechts zijdelings of zelfs helemaal niet mee te maken hebben. Aanvankelijk ergerden me al die verhalen over het humeur van de voorlichters, de trucs van collega's, de kwaliteit van het ijt, de douche met mineraalwater, de problemen met het transport, het geldgebrek, de zwarte markt, de schaarste aan bronnen, de drift van free-lancers om te 'scoren', de roddel en de leugens. Shoptalk. Wat moet de lezer, de buitenstaander, de mediaconsument er in godsnaam mee?

Toch wel iets. Als hij goed leest, helpt het hem een beetje van de autoriteit te slopen die het gedrukte woord en het televisiebeeld nu eenmaal bezitten, zelfs als die niet met kracht van feiten wogesteund. Het helpt hem te beseffen dat een artikel in de krant doorgaans niet meer of minder is dan het verslag van iemand die, gehinderd door van alles en nog wat, in opdracht van de lezer om zich heen heeft gekeken. Het maakt hem duidelijk dat de beelden die CNN uitzendt, niet 'de toestand in Irak' of zelfs die in Bagdad weergeven, maar soms alleen maar datgene wat je ziet wanneer je het raam van de toegewezen hotelkamer opent en de lens naar buiten richt: een willekeurig of juist zorgvuldig door de autoriteiten uitgezocht stukje straat. Meer niet. Dat is geen ontluistering van het vak, maar een nuttige relativering.

MELKPOEDER

Rojo breekt de mythe van de razende reporter een beetje af, maar geeft daar ook iets voor in de plaats. Hij is een kijker en een luisteraar, geen ziener. Hij blaast zijn waarnemingen dus niet op tot grandioze theorieen, en hij doet op grond van zijn beperkte kennis geen voorspellingen over de afloop van de oorlog of de toekomst van Saddam Hussein. Maar wanneer hoor zijn Irakese begeleiders naar de plek wordt geleid waar een melkpoederfabriek zou zijn gebombardeerd, noteert hij nauwgezet zijn twijfels over het getoonde, en heeft hij inmiddels zo veel goede relaties opgebouwd dat een medewerker van de Russische ambassade hem vertelt hoe hij rond de runes wel bijzonder veel radioactieve straling heeft gemeten.

Bij alle nauwgezetheid laat de verslaggever gelukkig ook voortdurend merken dat hij een razendleuk en spannend vak heeft, en valt hnergens op een zure opmerking te betrappen.

Integendeel. Als ik hem mag geloven heeft hij tijdens de bombardementen op Bagdad veel gelachen, niet in de laatste plaats om zichzelf. Die houding neemt me zeer voor hem in, en maakt dat een aantal overbodige uitweidingen en flauwe grappen in dit boek onmiddellijk vergeven kunnen worden. Natuurlijk was het haastwerk: in Spanje ligt de Diario de la Guerra al bijna twee maanden in de winkel. Ook als het gaat om snelheid versloeg Rojo dus uiteinjk Arnett. Als er inderdaad nagedacht gaat worden over het lijden en de grootheid van de wereldpers tijdens de Golf-oorlog dan komt Alfonso Rojo de eer toe als eerste de bouwstoffen voor verdere studie te hebben gepubliceerd.