TEGEN DE CHOLERA WAS NEDERLAND MACHTELOOS

The Noble Savage. Jean-Jacques Utrecht en de cholera, 1832-1910 door P. D. 't Hart 308 blz., gell., De Walburg Pers 1990 (Stichtse Historische Reeks, deel 15) f 49,50 ISBN 906011 699 2

De recente berichten uit Latijns Amerika over de problematisch verlopende bestrijding van de cholera-epidemie lijken in veel opzichten op een moderne reprise van het relaas over de 'zweepslagen' die de ziekte in het negentiende-eeuwse Nederland uitdeelde. Die indruk ontstaat althans na het lezen van de studie die P. D. 't Hart aan de opeenvolgende cholera-epidemieen in Utrecht gewijd heeft.

't Hart heeft met dit boek voor een wezenlijke uitbreiding van onze kennin de sociale en medische situatie in Nederland in het algemeen en de stad Utrecht in het bijzonder gezorgd. Zo komen we veel te weten over de cholera in relatie tot de volksgezondheid, de negentiende-eeuwse opvattingen over de ziekte, de preventieve maatregelen en de gangbare kwakzalversprodukten en geneesmiddelen. Daarnaast krijgen de organisatie en het wettelijk kader van de gezondheidszorg in Nederland, de armoede en de armenzorg uitvoerige aandacht. In de eigenlijke kern van het boek geeft 't Hart een min of meer chronologische besjving van de opeenvolgende epidemieen in Utrecht.

ONWETENDHEID

In Utrecht en de cholera stelt 't Hart de machteloosheid, tragiek en onwetendheid centraal. In de wat pathetisch aandoende typering in het inleidende hoofdstuk zet hij de toon voor het gehele boek. ''Machteloosheid tegenover een nieuwe en onbekende ziekte die met ongekende heftigheid toesloeg. ...

Een ziekte waarover men na 1830 telkens weer in de kranten las daj de Nederlandse grens naderde en dat de maatregelen en de geneesmiddelen ertegen in het buitenland niet hielpen. Tragiek van de rouwenden, van hen die tevergeefs probeerden om met inzet van hun beste kunnen de ramp af te wenden. Onwetendheid bij de overheden, bij de deskundigen en bij de grote massa...''

Over de hele wereld zijn er sedert het begin van de negentiende eeuw talloos veel slachtoffers te betreuren geweest. Ook in Nederland heeft de cholera asiatica vreselijk huisgehoudeet 65.614 doden was de ziekte in de jaren tussen 1832 en 1867 de grootste epidemische doder in Nederland. In Utrecht heerste de ziekte in 1832-33, 1848-49, 1853-55, 1859, 1866-67, 1874 en 1892-94. Daarnaast noteerden artsen zo nu en dan een geval van 'sporadisch' cholera, maar het is niet uitgesloten dat het dan om een andere ingewandsziekte ging. In totaal hebben in de stad Utrecht meer dan 7600 mensen aan de cholera geleden, waarvan er bijna 4800 zijn gestorven.

In een pakkend en helder betoogJH)handelt 't Hart de algemene 'onwetendheid' over de ziekte. De symptomen van de cholera leken veel op die van kwalen die men allang kende, vooral van de vele ingewandsziekten die ieder jaar terugkeerden en talloze slachtoffers eisten. Maar de cholera bleek anders, dodelijker, grilliger, gruwelijker, vooral door de snelheid waarmee de patient aftakelde en in veel gevallen te gronde werd gericht, terwijl de eerste symptomen vaak zo onschuldig leken.

Vooral patienten die op de rand van de dood fden, werden met soms huiveringwekkende middelen aangepakt. Cholerapatienten lijden een onlesbare dorst en door het grote vochtverlies treedt er stremming van de bloedcirculatie op. Hierdoor voelt de zieke steenkoud aan. Indertijd meende men dat het bloed zich in de inwendige organen ophoopte en verdikt raakte. Het werd van groot belang geacht dit verschijnsel te bestrijden door de huid te prikkelen. Hiertoe plaatste men onder andere pappen en pleisterarin bijtende stoffen, zoals mosterd, verwerkt waren. Ook werden verhitte metalen voorwerpen gebruikt; er werd heet water op de buik gegoten en zelfs zwavelzuur en ammoniak. Een van de uitwassen die 't Hart beschrijft, is dat er op de buik van de patient een in spiritus gedrenkte linnen lap werd gelegd, die vervolgens met een brandende zwavelstok werd aangestoken. Na vijf tot acht seconden werd de vlam dan gedoofd door er een deken over te gooien.

Van kwakzalverij was echter geen sprake. Integendeel, het ging om met de toen beschikbare kennis wetenschappelijk verantwoord medisch handelen. Zo vertelde G. J. Mulder, aanvankelijk geneesheer in Rotterdam en vanaf 1840 hoogleraar scheikunde in Utrecht, bijvoorbeeld dat hij tijdens de epidemie van 1832 vaak geen tijd had om - als er braaksel van een patient over hem heen was gekomen - schone kleren aan te trekken. ''Ze moesten droogen onder het bezoeken van nieuwe cholera-zieken,'' was zijn reactie.

KOMMA-BACILLEN Mulder vertelde deze anekdote om teijzen dat de cholera niet besmettelijk was en niet door contact werd verspreid. Deze Utrechtse hoogleraar bond in het midden van de vorige eeuw de strijd aan met twee andere wetenschappers die ieder een eigen verklaring voor de cholera gevonden meenden te hebben. Zo beweerde de Engelsman John Snow dat de ziekte via het drinkwater werd verspreid, waarbij hij zijn ervaringen in de Lonse Broadstreet als bewijs aanvoerde. De Duitse geleerde Max von Pettenkofer kwam in de tweede helft van de jaren vijftig met de theorie dat de cholerakiem vooral via excrementen verspreid werd. Uitwerpselen van een cholerapatient werden pas gevaarlijk wanneer onder invloed van lokale omstandigheden de gifstof er tijdens het rottingsproces in ontstond. G. J.

Mulder stelde daarentegen dat vuil de grootste vriend van de cholera was. Hierbij had hij dan vooral de bedsteden op het oog en het vuil in het voedsel van de armen, in het bijzonder de halfbedorven goedkope vis.

In deze discussie mengich in het laatste kwart van de vorige eeuw de Duitse onderzoeker Robert Koch. Hij beweerde dat de ziekte ontstond doordat de 'vibrio cholerae' via het drinkwater in het darmkanaal belandde. Reeds voor 1883 had Koch de komma-vormige cholerabacterie al in de uitwerpselen van patienten aangetroffen, maar hij had er toen geen aandacht aan geschonken. Pas zijn onderzoek tijdens epidemieen in India en Egypte gaf hem zekerheid.

Ondanks dit al heeft het onderzoek van de negentiende eegeen effectief geneesmiddel opgeleverd. Wie de ziekte opliep tijdens de laatste aanval die de cholera op de stad Utrecht deed - in 1894, toen de veroorzaker allang was ontdekt - had even weinig kans dat medicamenten zouden baten, als degene die er in 1832 door werd aangetast.

NALATIGHEID

De onzekerheid bij de medici was voor de overheden voldoende aanleiding om een zekere onwil ten toon te spreiden om zelf initiatieven te nemen tegen cholera-epidemieen. Deelerd dit veroorzaakt door de chronische geldnood van de divere overheden. De traagheid was echter ook een gevolg van de principiele onwil om in de particuliere sfeer van de burgers in te grijpen. Uit het verhaal van 't Hart blijkt dat tijdens de epidemieen de aandacht voor hygiene weliswaar groot was, maar als de ziekte was verdwenen, verviel men weer in de oude zonden. Ook het Utrechtse gemeentebestuur nam bij voorkeur een afwachtende houding aan. Voor de Utrechtse artsH. J. Broers was dat aanleiding om in 1853 - toen de cholera weer eens naderbij sloop - in een uitvoerig kranteartikel tegen deze achteloosheid te waarschuwen: ''alles is nog zoo als het vroeger was, en al die onbewoonbare, stinkende vuile krotten, die broeinesten der cholera, kunt gij nog zien als ge lust hebt. Ze zijn nog geheel onveranderd.''

P. D. 't Hart oordeelt echter mild over de verantwoordelijke bestuurders. ''Het is nuttig te weten hoe adembenemend de armsten leefden, hoezeer in hun levrivacy ontbrak, hoe het stonk in de achterbuurten, maar ook in veel nette wijken. ...

Wie dat weet, kan begrijpen hoe machteloos het stadsbestuur en de medici waren wanneer vooruitstrevende geesten de algemene gezondheidstoestand op korte termijn wilden verbeteren.''

CIVILISATIE Sociologen en historici hebben zich al eerder beziggehouden met de vraag of epidemieen in het algemeen en de cholera in het bijzonder een belangrijke rol hebben gespeeld in het proces van maahappelijke veranderingen dat zich in de negentiende eeuw voltrok. De socioloog A. de Swaan heeft hieraan in zijn studie Zorg en de staat uitvoerig aandacht geschonken. Hij stelde dat haast alle stedelijke bekommernis om orde, fatsoen en reinheid beoordeeld moet worden in het licht van angst voor ziekte en besmetting. ''De massa-epidemieen boden daarbij een treffend beeld voor de interdependentie tussen stadsgenoten die armen en rijken, gevestigden en nieuwkomers, onwetenden en ontwikkelden gelijkelijk verbond.'' Volgens hem realiseerden stadsbeambten en medici zich terdege dat de epidemieen op de een of andere manier een gevolg moesten zijn van stedelijke vervuiling, en dat elke poging om ze te bedwingen tot falen gedoemd was zonder een grote schoonmaak van de sloppenwijken. De Swaan meent dat vooral de cholera een belangrijke aanzet heeft gegeven voor de aanleg van een groot aantal stedelijke netwerken, zoals straatverlichting, verharde straten, riolering,drinkwaterleiding en de verwijdering van afval en vuilnis uit huizen en straten.

Het is jammer dat P. D. 't Hart dit werk van De Swaan niet gebruikt heeft; slechts een paragraaf van een hoofdstuk - als afzonderlijk artikel gepubliceerd - komt in de literatuurlijst voor. Dit is temeer betreurenswaardig omdat in deze Utrechtse case-study - waarin juist wel van archivalia gebruik gemaakt is - veel aanwijzingen zitten die juist voor het tegendeel van de visie van De Swaaneiten. Zonder dat 't Hart er expliciet melding van maakt, geeft hij juist aan dat de cholera niet als een hefboom gefungeerd heeft die uiteindelijk in een effectieve gezondheidszorg resulteerde: ''De dreiging werd bij wijze van spreken ontkend, op een zijspoor van de geest gerangeerd, zodra men de eerste schrik had verwerkt. Terwijl de doodsklokken luidden, terwijl de dampwagentjes als memento mori door de straten reden en iedereen wist dat er cholera heerste, werd etrouwd, werden er kinderen verwekt, deden bazen en knechten zoveel mogelijk hun werk en probeerde 'iedereen'

te voorkomen dat zakelijke belangen werden geschaad.'' In Utrecht en de cholera geeft 't Hart een overdaad aan beschrijving, maar helaas zonder een stevig theoretisch fundament. Hij heeft niet genoeg over de grenzen van de 'tuin der historie' gekeken. En juist daarmee had hij het belang van zijn werk ver boven het lokale of regionale kunnen uittillen.

Cor van der Heijden is historicus