Schrijver Aleksandar Tisma; 'De volkeren van Joegoslavie gedragen zich als ratten in een kooi die onder stroom is gezet'

Aleksandar Tisma, een der belangrijkste Joegoslavische schrijvers van het moment, is NSad in de Vojvodina trouw gebleven. Een Servier die niet in Servie wil wonen. Terwijl 'iedereen opeens anti-communist' is, doet hij geen moeite ergens bij te horen. 'Ik identificeer me met geen van de Joegoslavische naties, want als je voor de een bent, moet je ook tegen de ander zijn.'

'Op het brede trottoir voor hotel 'Koningin Maria', vroeger 'Koningin Elisabeth', later 'Erzsebet Kiralye', nog later 'Vojvodina', achter een smeedijzeren hek, in de zon, aan marmeren tafeltjes, (...) handels- en ambachtslieden met dphoeden, officieren van het koninklijk leger met op stoelen gelegde petten, door lorgnetten met handvat kijkende actrices van de Servische Nationale Schouwburg''. Zo beschrijft Aleksandar Tisma in een van zijn boeken het nog steeds bestaande Hotel Vojvodina in het centrum van de Joegoslavische stad Novi Sad.

''Moet je zien wat ze er nu van gemaak hebben'', merkt hij op, staande op het trottoir waar allang geen smeedijzeren hekken meer zijn, laat staan dat er aan de armelijke tafeltjes op het asfalt nog Servische actrices met lorgnetten zouden zitten. De bescheiden negentiende-eeuwse constructie van twee verdiepingen bevat op de eerste verdieping nog steeds hotelkamers. Maar beneden doet niets meer vermoeden dat hier in de vorige eeuw het puikje van de Servische bourgeoisie, nog net binnen de grenzen van het Oostenrijs-Hongaarse rijk maar bijna in het zicht van het door de Turken bezette Servie, zijn feesten vierde, kranten las en discussieerde. Restaurants en koffiekamers zijn uitgebroken en witgekalkt voor iets dat een 'snackbar' heet, en vooral door geestloos meubilair en gapende leegte gekenmerkt wordt.

Nee, Aleksandar Tisma gaat voor ons gesprek liever naar koffiehuis 'Zagreb', waar de door de ruimte galmende Servische popmuziek de 67-jarige niet in het minst lijkt te deren.

Meteen maar de hamvraag: komt er burgeroorlog in Joegoslavie? ''Er is nu geen Hitler, geen Mussolini om tot een oorlog aan te zetten. In de jaren dertig moest je aan de ene kant staan, of aan de andere. De wereld is sinds kort gelukkig niet meer in twee blokken verdeeld, en er is nog maar een grote schoolmeester, Amerika. Daarom is oorlog nu niet noodzakelijk''.

Maar binnen Joegoslavie ligt de conflictstof toch voor het oprapen, de gemoederen raken toch steeds meer verhit?

''Dat is waar. Er zijn overal kleine politici die grote woorden gebruiken. Maar ik verwacht een compromis. Militante minderheden stellen het probleem groter voor dan het is.

Mensen die vijftig jaar lang posities hebben bekleed onder Tito, zijn nu plotseling de vertolkers van haatgevoelens. En plotseling zijn er in elke natie stemmen die beweren dat juist hun natie onder Tito onderdrukt is, als enige, of in het bijzonder.

''Achteraf moet je toegeven dat Tito in de nationaliteitenkwestie natuurlijk een genie was. Alle naties hadden hun aandeel geleverd in de partizanenstrijd die tot de bevrijding had geleid, heette het, al ging het in werkelijkheid soms maar om enkele tientallen mensen, als bij de Albaniers. Na de oorlog hadden de Serviers dus niet het gevoel dat alle Kroaten moesten worden vermoord wegens collaboratie, en evenmin dachten de Kroaten dat alle Serviers vermoord moesten worden. Maar nu is iedereen opeens anti-communist, wil iedereen bewijzen dat ie beter is dan de anderen. En iedereen voelt zich plotseling omsingeld door de anderen, en kwetsbaar. Dat is slecht, dat doet de mensen hun hoofd verliezen. Dan begint men al vlug met het maken van irrationele plannen voor de vernietiging van de ander.''

Vernietiging Vernietiging van de ander op grond van politieke overwegingen - Aleksandar Tisma mag ten aanzien van de beschrijving van dit fenomeen welhaast een specialist heten. Bijna heel zijn omvangrijke, in het Servisch gestelde oeuvre (waarvan tot nu toe twee boeken in het Nederlands zijn vertaald) gaat over de vernietiging van de mensen uit naam van ideologie of politieke overwegingen. Voor een schouwtoneel hoefde een inwoner van Novi Sad in deze eeuw niet ver van huis. Deze hoofdstad van de door vele volkeren bewoonde, in haar platheid aan Nederland herinnerende provincie Vojvodina werd in 1918, bij de liquidatie van het Oostenrijks-Hongaars imperium, door de overwinnaars van de Eerste wereldoorlog aan het juist opgerichte Joegoslavie toegevoegd. In 1941 deden onder Duitse instemming Hongaarse gendarmes hun intrede in deze 'irredenta'

om met terreur de Hongaarse macht te vestigen. Aan het eind van de oorlog kwamen de Russen en de partizanen, en steeds weer werden de politieke rekeningen mede ten koste van de bevolking vereffend. Nog is het rustig in Novi Sad, maar de politieke verwikkelingen rondom de provincie nemen geen einde.

Servie heeft de afgelopen jaren aan de onder Tito gegroeide bestuurlijke autonomie van Vojvodina een einde gemaakt.

U beschrijft zo uitvoerig Novi Sad en zijn geschiedenis, u moet zich wel erg met deze stad verbonden voelen.

Tisma, heftig: ''Helemaal niet. Als ik twee maanden op reis ben, denk ik niet meer aan Novi Sad. Dit is een kleine stad, zonder esprit, zonder interessante mensen. Het is maar een kleine sociale groep, waarmee je kunt omgaan: een paar plaatselijke intellectuelen, wat lokale politici, wat lokale geldverdieners.''

Waarom bent u, een van de voornaamste Servische schrijvers, nooit in het eigenlijke Servie gaan wonen, in de metropool Belgrado bijvoorbeeld, toch maar honderd kilometer verderop?

''Ik houd niet van Belgrado. Het leven wordt daar gekenmerkt door een agressie die ik niet bezit, de mentaliteit van de bergbewoners. Hier, op de vlakte, heb je meer privacy, meer stilte.''

In uw roman 'Het gebruik van de mens' komt iemand voor die nooit uit Novi Sad naar Belgrado gaat, omdat hij de grens tussen Midden-Europa en de Balkan niet wenst te overschrijden, omdat hij vindt dat hij aan gene zijde niets te zoeken heeft.

Hebt u daarmee uw eigen gevoelens beschreven? ''Nee. Waar het mij om gaat is dat ik er niet toe gedwongen wens te worden mij elke dag te moeten uitspreken. In Ierland heb je dat ook een beetje, heb ik gemerkt, dat je op dagelijkse basis een bepaald patroon tentoon moet stellen. Als je Servie maar dagelijks in woorden belijdt, dan kun je verder doen wat je wilt.

''Hier in Novi Sad hoef ik niets te bewijzen. Laatst kwam ik hier een vriend uit mijn schooltijd tegen, een eenvoudig man.

Hij zegt: wat moet je toch steeds met die boeken Tisma, je gaat toch net zo dood als wij allemaal? Kom toch eens gezellig mee naar het cafe! Die man, een heel aardige man, kan zich gewoon niet voorstellen dat ik een kwalitatief onderscheid zie tussen boeken schrijven en in het cafe zitten. En ik verkies deze goedkope mentaliteit van een kleine stad boven de grote woorden van nationale leiders.''

Hebt u een idee, hoe de crisis in Joegoslavie moet worden opgelost?

''Er is geen oplossing in zicht. Ik persoonlijk identificeer me met geen van deze naties. Want als je voor de een bent, moet je ook tegen de ander zijn. En ik wil in Joegoslavie blijven, zolang als ik kan.''

Is met de opheffing van de autonomie van de provincie Vojvodina ook de Schrijversbond van de provincie in de Servische schrijversbond opgegaan?

''De situatie van de Schrijversbond verandert hier steeds. Er is een tijd geweest, na 1974, dat de politici van de Vojvodina zoveel mogelijk autonomie nastreefden. Bij de spoorwegen bijvoorbeeld, de Vojvodina-spoorwegen werden zelfstandig ten opzichte van de Servische spoorwegen en als je van Novi Sad naar Belgrado wilde, moest je plotseling overstappen.

Hetzelfde gebeurde met de Schrijversbond: eerst hadden we een Vojvodina-sectie binnen de Servische bond, in 1974 kregen we een geheel eigen bond. Nu is er inderdaad weer sprake van de beweging in omgekeerde richting, maar ik vind dat geen belangrijk debat. Spoorwegen en schrijversbonden zijn tenslotte alleen maar hulpmiddelen voor het realiseren van persoonlijke doeleinden: ergens heen gaan, papier krijgen.''

Een Servische schrijver die weinig van Servie wil weten, een beschrijver van Novi Sad die zich niet aan de stad gehecht voelt - is uw positie niet eigenlijk zeer marginaal?

''Denk ik niet, niemand wil graag marginaal zijn. In mijn jeugd wilde ik mijn leven een andere richting geven, zo snel als ik kon, ik wilde zo snel mogelijk hier vandaan. Tijdens de oorlog deed die mogelijkheid zich voor. Ik kon twee jaar in Boedapest studeren, eerst handelswetenschappen, later Frans, totdat de Duitsers Hongarije bezetten en alle studenten anti-tankgreppels moesten graven. Na de oorlog kreeg ik geen paspoort, terwijl ik een beurs had om in Parijs Frans te gaan studeren. Ik moest dus in Novi Sad blijven, en omdat ik mijn instinct, talent, vermogen om te schrijven al sinds mijn dertiende, veertiende heb, ben ik gaan schrijven over wat ik kende, Novi Sad, de Vojvodina. Maar als ik naar Parijs had kunnen gaan, had ik geschreven over de mensen daar, uit het standpunt van een jonge man die in Parijs aankomt. Toen ik in 1957, als ik me goed herinner, wel een paspoort kreeg, toen had ikl een begonnen literaire carriere, een vrouw, en een gezin. En toen heb ik gedacht: dan kan ik maar beter blijven waar ik ben.

''Voor een Uberblick over de dingen hoefde ik heus niet naar Belgrado. Alle essentiele dingen waren hier in Novi Sad te vinden. En hier ligt ook de essentiele belevenis uit mijn leven. Dat was in de winter van '42, toen alle inwoners van Novi Sad, en ook van andere steden en dorpen in de Vojvodina drie gen lang binnen moesten blijven, met de ramen gesloten en de gordijnen dicht. Patrouilles van het Hongaarse leger, de Hongaarse politie en de Hongaarse gendarmerie kamden een voor een de huizen uit, op zoek naar wapens, net zoals dat in Joegoslavie door anderen nu weer gebeurt, in Slavonie en Kosovo. Die Hongaren hadden het recht om te doden en dat deden ze ook. Dat gebeurde eigenlijk om twee redenen: ter intimidatie van de bevolking natuurlijk, maar ook om tegenover Hitler-Duitsland te bewijzen dat Hongaje aan een 'binnenlands front' vocht en dat er dus geen Hongaarse troepen voor het Duitse Oostfront overschoten.

''Ik was thuis met mijn joodse moeder, en we hadden een Hongaarse commensaal in huis, een kapper. Het is misschien niet zozeer wat hij tegen die soldaten zei, maar eerder hoe hij het zei. Hij gaf ze ook wijn, en iets warms om te eten, die jongens waren half bevroren, het was 25 graden onder nul.

Wij bleven zo in leven, maar in ieder tweede, derde huis hebben ze de bewoners gedooDat is de essentiele ervaring uit mijn leven, hoe ik, weer buiten, het bloed in de sneeuw zag, zag hoe de hersens nog tegen de muren kleefden. Ik weet dus wat dat is, etnische razernij, ik weet hoe idioot de mens kan worden. Ik heb toen ook twee van mijn beste vrienden verloren, kinderen nog.''

Multinationaal Novi Sad moge sinds de vorige eeuw steeds in meerderheid door Serviers bewoond zijn, multinationaal is de stad steeds geweest. Nog altijd wisselenp de lokale radio de nieuwsbulletins in het Hongaars, Roemeens en Rutheens elkaar in bonte verscheidenheid af. Tijdens of kort na de oorlog werd de streek drie bevolkingsgroepen armer, die eerder de atmosfeer in de stad in belangrijke mate hadden meebepaald: na de Duitse bezetting van Hongarije in 1944 werden ook hier de joden gedeporteerd, later ruimden Duitsers en Russen het veld.

Tisma: ''De Witrussische generaal Vrangel is hier bij Novi Sad gestorven. De Russen vluchtten tiJH)dens de burgeroorlog hierheen, op het hoogtepunt waren er wel een half miljoen van hen in de Vojvodina. Ze hadden eigen scholen, tijdschriften, kranten en een beroemd meisjespensionaat. Ze bleven hier zolang ze dachten dat er een kans op terugkeer naar Rusland bestond, in de jaren dertig begon hun aantal al af te nemen.

Voor die Hongaarse commensaal hadden mijn ouders een Rus in huis, een ingenieur die hier in de buurt op het militaire vliegveld werkte. Wat op mij als kind vooral indruk makte, was het geraffineerde Russische familieleven: zijn vrouw bakte iedere dag een taart, iedere dag een andere. Ze dronken thee en speelden onder elkaar, hoe heet dat gevaarlijke Amerikaanse spel, blufpoker ja. Zelfs de dames van stand onder hen kenden geen schaamte, leek me, ze hadden altijd heel veel rouge op.

Dat was me een leven. Dat moet je je voorstellen op die armelijke binnenplaatsjes hier, een kamer met keuken per gezin, zonder toilet, zonder stromend water. Toen de Hongaren hier in '41 kwame zijn de meesten van hen vertrokken. Want iedereen die niet in de Vojvodina geboren was, of op het gebied van het Oostenrijks-Hongaars imperium, moest vertrekken. Later heeft Tito ze ook nog een gemene streek geleverd. In 1948, bij zijn breuk met Moskou, werden de Russen voor de keus gesteld: terug naar de Sovjet-Unie, of naar een ander land.

''Een van mijn vrienden was een Duitser, als ik aan hem denk heb ik nog altijd dat gevoel van verlies. Franz Faith heette hij, hijwas met zijn ouders hierheen gekomen. Hij zat met mij op het Servische lyceum. Ik hielp hem met de Servische taal, ik zal toen ongeveer twaalf geweest zijn. Zijn moeder, die zag dat ik haar zoon hielp, nodigde mij vaak uit. Ik kwam er graag, want ik was net begonnen met lezen en ze hadden de complete werken van Karl May. De scheiding tussen mij en mijn vriend voltrok zich met het doordringen van het Hitlerisme.

Franz begon bijeenkomsten van de Kulturbund te bezoeken. Toen de oorlg kwam, moest hij, och arme, in de SS, want de 'Volksdeutsche' mochten niet in de Wehrmacht, die konden alleen in de SS. In Rusland is hij omgekomen. Zijn ouders zijn na de oorlog geevacueerd, zoals de meeste Duitsers.''

Want vindt u van het hedendaagse Duitsland? Tisma: ''De Duitsers van nu zijn de aangenaamste mensen van Europa. Ik kom graag in Duitsland, het zijn niet meer dezelfde mensen. Toen waren ze onverdraaglijk, met hun trots, hun grootheidswaan. Ze gedroegen ich een beetje als de volkeren van Joegoslavie nu: al die ressentimenten, dat geroep van 'iedereen is tegen ons', de gedachte dat je je tegen iedereen te weer moet stellen. Ik weet eigenlijk niet hoe dat bij de Duitsers zo heeft kunnen veranderen. De totale nederlaag misschien?

''De volkeren van Joegoslavie gedragen zich nu als ratten in een kooi, die verhit wordt of onder stroom gezet, en die dan hysterisch worden. Men weet niet precies wat aan te vanen met die razernij. Het is vreselijk, men neemt zelfs zijn toevlucht tot totalitaire vormen. Elke vorm van totalitarisme is trouwens belachelijk. Ook het Duitse totalitarisme, dat voor mij als zoon van een Servische vader en een joodse moeder een dodelijke bedreiging betekende, was tegelijkertijd ridicuul.

''Hier bij ons begint men te fantaseren, de vijand te zien in andermans handelingen. Misschien zou het goed zijn als er buitenlandse troepen kwamen om de volkeren te scheiden, maa dat wil men ook niet, want men is bang om te tonen dat men ruzie heeft. Het is net een gezin waarin de man zijn vrouw slaat, of andersom natuurlijk. Men wil slaan, maar men wil ook dat niemand ervan weet.''

Neemt men het u in Servie, waar het nationaal gevoel zo hoog is gestegen, als bekend Servisch schrijver niet zeer kwalijk dat u zich afzijdig houdt?

''Gelukkig ben ik een man van grote ijdelheid. Als ik maar een eetje ijdel zou zijn, dan was ik bang. Dat ik voor literaire prijzen gepasseerd ben bijvoorbeeld. Maar dat interesseert me niet. Modes komen en gaan, ook politieke modes. Men doet maar.

Dat is natuurlijk ook wel een beetje een vreemde houding, want tenslotte behoor ik ook tot dit land, en ik doe niets.

''Wij in dit land hebben veel waardering verloren in het buitenland, door wat men hier allemaal voor doms en idioots zegt en schrijft. Er is een gevoel van verachting bespeurbaar, en bij onszelf zelfverachting. Die zelfveachting voel ik ook.

Het is de enkeling niet om het even, hoe de mensen om hem heen zich gedragen. Als iedereen om je heen zich als een clochard gedraagt, dan slaat dat terug op de zelfachting.''

Maar toch, denkt Tisma, ''is dit alles beter dan het communisme. Onder het communisme kun je alleen als een idioot sterven. In een totalitaire staat, waar dat niet kan, ga je aan jezelf twijfelen. Van gedachten die je niet kunt uitspreken of neergeschrijven, ga je tenslotte denken dat je ze niet hebt, dat het misplaatste dromen of fantasieen zijn.

Pas als je ze iemand kunt vertellen, neerschrijven, worden ze tastbaar''.

Stamgevoel Als er moet worden afgerekend wenst de Servische ober eerst in het geheel niet te komen, en na herhaald aandringen overlaadt hij ons tenslotte met misprijzende opmerkingen, waarvan de precieze strekking mij ontgaat. ''Voor hem spreekt het niet vanzelf dat wij, omdat wij betalen, iets te vertel(J)len zouden hebben'', legt Tisma uit. ''Volgens hem zijn we bij hem op bezoek en bepaalt hij de regels. Bij Serviers proef je nog een beetje het stamgevoel. Niet de klant, maar het stamhoofd zorgt voor het salaris. Dat patroon ging trouwens heel goed samen met het communisme.''

Als ik hem nu maar niet afschilder als een Middeneuropeaan, die zich afzet tegen Balkan, de Serviers, vraagt Tisma zich bezorgd af, als we buiten door de regenachtige straten van NoviSad lopen, over het 'Corso', favoriete flaneerplaats van de vooroorlogse middelbare scholieren. ''Midden-Europa is een mythe, een geschiedvervalsing. De Balkan is harder en wilder, maar daar heerst tenminste zorgeloosheid. Er heerst een ander gevoel daar, de geschiedenis is er sympathieker. Ik ken ze beide goed, Midden-Europa en de Balkan. Voor Midden-Europa heb ik geen respect, ik ken dat te goed, die reserve tegenover alles wat riskant kan zijn. Daar sta ik dicht bij, maar ik heb daar geen eerbied voor. Ik kan me natuurlijk afzetten tegen de Serviers, tegen de bergvolkeren, maar ik zal niet ontkennen dat ze kunnen functioneren, als volk. Ze zijn niet verloren.''

In het Nederlands zijn van Tisma verkrijgbaar de roman 'Het gebruik van de mens' en de verhalenbundel 'School der goddeloosheid', beide uitgegeven door Meulff, die ook de romans 'De Kapo' en 'Geloof en wantrouwen' op het programma heeft staan.