Realiteit overschaduwt ambitie Rotterdam; In de schaduw van het Nieuwe Rotterdam heerst de werkloosheid BYLINE: Door AAI SCHABERG

Rotterdam wil een metropool worden, met een economisch sterk fundament. In de binnenstad verrijzen hoge kantoren in spiegelglas. Deze kunnen niet verdoezelen dat de stad op sociaal terrein nog heel wat barsten en scheuren kent.

De ramen van de nieuwe kantoortoeter voor Nationale Nederlanden aan het Weena - in Rotterdams centrum - kleven al bijna allemaal tegen de betonnen constructie van het hoogste gebouw van Nederland. Die ramen moeten straks spiegelen en schitteren, als symbool voor 'Het Nieuwe Rotterdam'. Dat is de slogan voor een stad die meer wil zijn dan 's werelds grootste haven, nog steeds het kapitaal van de stad. Een stad die de allure van een metropool moet krijgen.

Daarbij valt het beeld van Zadkins verwoeste stad nog nauwelijks op. De gebouwen die in het stadscentrum van Rotterdam - dat in de meidagen van 1940 werd platgebombardeerd - worden opgetrokken, verdringen het kunstwerk naar de achtergrond. Rotterdam wil definitief afrekenen met het verleden.

“Het Nieuwe Rotterdam? Rot op! Ze zeggen altijd dat die grachtenpandjes van Amsterdam zo mooi zijn. Nou, dat hoeft voor mij dus ook niet. Maar als je hier op een zonnige dag onder het beursgebouw gaat staan, kan je daarin de hele stad zien. Dat is toch prachtig, al die spiegels”, zegt een man die op het Rotterdamse beursplein op een bankje zit. “Ze kunnen bouwen wat ze willen, maar Rotterdam blijft een stad zonder hart”, antwoordt een andere Rotterdammer, verwijzend naar Zadkins verbeelding.

Hoewel die gedachte bij de man in de straat vooral skeptisch is, schrijft het stadsbestuur in het Jaarbericht 1990 zonder al te veel bescheidenheid dat de gemeente “vooruit kijkt, want het is nodig om nu de ontwikkelingen in gang te zetten voor een vitaal Rotterdam in de volgende eeuw”. Een stad op zoek naar nieuw elan. En economische vooruitgang.

“Het Nieuwe Rotterdam? Het is moeilijk om daarvan een korte definitie te geven. Het is een motto voor economische, stedelijke en sociale vernieuwing. Meer niet”, zegt wethouder J. Linthorst van Ruimtelijke Ordening en Economische Ontwikkeling in eerste instantie. “Het is het symbool van een trendbreuk met de jaren tachtig, waarbij het besef is doorgedrongen dat Rotterdam meer is dan alleen maar de haven.

Dat je op een breed terrein aantrekkelijk moet zijn wil je als stad overleven. Dat is Het Nieuwe Rotterdam'', preciseert hij.

Een trendbreuk ten opzichte van de jaren zeventig en tachtig toen de stad in perioden van achtereenvolgens een oververhitte economie en vervolgens een recessie niet veel oog had voor het bedrijfsleven maar het vizier meer richtte op de kansarmen.

“Die rooie rakkers die vanaf 1974 met hun program-college wel even zouden vertellen wat er moest gebeuren, vonden ons maar vuile kapitalisten”, zegt een oud-ondernemer nu. Hij wijst op de periode dat verbetering van woon- en leefomstandigheden, sociale woningbouw, het weren van hoogbouw in het stadscentrum en selectieve groeiscenario's de beleidslijnen van de politiek bepaalden. Met als gevolg dat grote delen van het bedrijfsleven de stad de rug toekeerden. En daarmee een sociale bovenlaag die elders gerieflijker ging wonen. Daar kwamen saneringen in de scheepsbouw, de metaalindustrie, de voedings- en genotmiddelenindustrie en de grafische industrie bovenop.

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog was Rotterdam door haar ligging in de 'gouden delta' een economisch groeicentrum bij uitstek. Botlek, Europoort en Maasvlakte werden kort na elkaar ontwikkeld. Tussen 1955 en 1975 liepen de oevers van de Nieuwe Waterweg vol met (petro-) chemische bedrijven als Dow Chemical, Esso, BP en Gulf. Het gevolg was dat de Maasstad ook veel aantrekkelijker werd voor andere bedrijfstakken.

“Rotterdam kreeg de reputatie van zeer ondernemingsgezind; een paradijs voor ondernemers. Werd het gezicht van de haven tot 1940 gedomineerd door de op- en overslag, de kranen en rederijen, na de oorlog bepaalden de raffinaderijen, de petrochemie en de bulkchemie het beeld van de haven”, zegt dr F.M.M. de Goey, eind vorig jaar gepromoveerd met een proefschrift over de industriele ontwikkeling van Rotterdam tussen 1945 en 1975.

Maar in 1974 'kwamen de rooie rakkers' en koos de nieuwe gemeenteraad onder aanvoering van toenmalig burgemeester Andre van der Louw voor een andere koers. Er kwam een einde aan het expansie- en industrialisatiebeleid van de jaren vijftig en zestig.

Rotterdam ging economisch achteruit: massale werkloosheid die niet alleen eerder intrad dan elders in het land maar nog steeds ver boven het landelijk gemiddelde uitsteekt. Van alle werklozen in Nederland moet Rotterdam nu 13 procent voor haar rekening nemen.

Pag 18:

In de schaduw van het Nieuwe Rotterdam heerst de werkloosheid

Van de totale Rotterdamse beroepsbevolking van zo'n 235.000 mensenis bijna een kwart - vijftigduizend - werkloos, waarvan circa 17.000 allochtonen. Van deze groep zullen 25 a 30.000 mensen nooit meer aan het werk komen. Van alle 580.000 Rotterdammers behoren er 108.000 tot etnische minderheden.

Het zijn dan ook de woorden van mr K.P. Van der Mandele, een van de grote namen in de geschiedenis van Rotterdam en van 1938 tot 1960 voorzitter van de Rotterdamse Kamer van Koophandel waarmee de Commissie Albeda in een in november 1987 uitgebracht rapport ('NieuwRotterdam, een opdracht voor alle Rotterdammers') begint: “Besef dat werk de enige mogelijkheid is waardoor de mens tot schepper wordten dat hij door dit vermogen, dat ieder individueel in zich draagt, vrij wordt.

Vrij van angst om het bestaan, vrij van angst voor onderdrukking door andersdenkenden of maatschappelijk hoger geplaatsten; vrij vooral om onze eeuwige missie in de wereld te kunnen vervullen: deze steeds opnieuw volgens onze ideeen te hervormen en te verbeteren, tot aan het einde der dagen.”De Commissie Albeda stelt dat bij ongewijzigd beleid in 1994 de groep langdurig werklozen in Rotterdam zal zijn gegroeid tot zestigduizend. “Het laten voortbestaan van langdurigewerkloosheid in een maatschappij waarin de meeste toedelingsmechanismen zijn verbonden met het hebben van betaalde arbeid, leidtonvermijdelijk tot een tweedeling van de stedelijke gemeenschap”, zo concludeert de Commissie Albeda.

En dat tast volgens het rapport uiteindelijk het economisch draagvlak van de stad aan.

De commissie heeft de ommekeer in het denken van hetRotterdamse stadsbestuur zo niet bewerkstelligd dan toch versneld: voorsociale vernieuwing is een economisch draagvlak nodig. De prestigieuzenieuwbouw in het Rotterdamse centrum is een uiting van het nieuwedenken.

Rotterdam heeft inmiddels ook haar eigen Brainpark aan het randje vande stad onder de Van Brienenoordbrug. Een tweede staat in de steigers,iets noordelijker aan dezelfde A-16. De Maasboulevard wordt verder ontwikkeld met als voorlopig hoogtepunt het hoofdkantoor van Nedlloyd. En de bouw van een nieuwe spoortunnel heeft delen van destad weer opengescheurd.

Alsof dat na 45 jaar wederopbouw nog niet genoeg is, heeft de gemeente onlangs het bestemmingsplan voor de Kop van Zuidafgerond. De lokatie ten zuiden van het stadscentrum aan de linkeroever vande Nieuwe Maas moet Rotterdam-Zuid bij 'de stad' trekken. Als alle plannen doorgaan, komt er een tweede stadsbrug en een nieuw metrostation, 377.000 vierkante meter kantoorruimte, 5.100woningen, 3.500 vierkante meter winkelruimte en 3.600 parkeerplaatsen.Totale kosten: 2,3 miljard gulden.

Niemand in Rotterdam gelooft meer dat het Integraal Plan Noordrand Rotterdam (IPNR) nog lang ter discussie zal staan.

In het gebied rondom het eens zogeheten en door de politiek vervloekte vliegveldZestienhoven moeten nieuwe woonwijken en bedrijfsterreinen komen. Rotterdam Airport zoals de luchthaven nu heet, zal een kilometer noordelijk worden verschoven. Met het IPNR is een investeringvan vier miljard gulden gemoeid.

“En een tweede Maasvlakte zullen we snelmoeten ontwikkelen”, doet wethouder Linthorst daar nog een schepje bovenop.

Grootse plannen, maar de vraag is of Rotterdam ooit het Manhattan aan de Maas wordt en de grandeur van een welvarende wereldstad krijgt. Zal Rotterdam ooit het imago van louter werkstad van zich kunnen afschudden of zal die Hagenaar - gevraagd naar de weg naar Rotterdam - altijd blijven antwoorden: “Na Den Haag de bordenhavens volgen”? En zal die Amsterdammer na het fiasco van de viering vanhet 650-jarig bestaan van de stad onder leiding van burgemeester Bram Peper niet altijd blijven schamperen dat “ze in Rotterdam ook al geenfeest kunnen vieren”? Maar belangrijker: zal achter de skyline vanHet Nieuwe Rotterdam een kille stad schuil blijven gaan met hoge werkloosheid, vreemdelingenproblemen en verpauperdebinnenwijken?

“De werkloosheid is het grote probleem van Rotterdam”, erkent wethouder Linthorst. “Maar met dat probleem zijn we al tien jaarbezig. Eenvoudige oplossingen blijken niet mogelijk te zijn. Je kunt moeilijkzeggen: We houden maar op met de bevordering van economische groeiomdat het weliswaar voor meer werkgelegenheid zorgt maar de werkloosheid niet oplost”, zegt Linthorst.

De wethouder ontkent dat de nieuwe skyline van Rotterdam het probleem van de werklosheid moet maskeren, dat er sprake is van windowdressing: “Als iets de schrijnende consequenties van de werkloosheid verpakt,is het ons sociale zekerheidsstelsel, in ieder geval niet de nieuwe gebouwen.”

Hoewel de (petro-) chemische industrie nog steeds goed is voor zo'ntien procent van de totale werkgelegenheid van Rotterdam en omgeving endeze industrie per jaar anderhalf a twee miljard gulden investeert (veertigprocent van de totale investeringen en 77 procent van de industriele investeringen), zoekt Rotterdam het sinds de 'trendbreuk' met dejaren tachtig in activiteiten die een toegevoegde waarde aan de haven geven: distributie, handel en zakelijke dienstverlening.

Dieactiviteiten leveren nu nog een bijdrage van respectievelijk21, 12 en 19 procent aan de totale werkgelegenheid van de agglomeratieRotterdam. De groei van de werkgelegenheid in Rotterdam en omgeving hield vorig jaar weliswaar gelijke tred met de landelijketoename - zo'n 3,5 procent - maar deze groei deed zich vooral voor in de zakelijke dienstverlening. Bovendien betreft het nieuwe banen voor mensen die niet in Rotterdam zelf wonen. Het regionale werkloosheidscijfer daalde nauwelijks.

“We moeten de petro-chemische industrie behouden en verdermet gericht beleid doen waarin Rotterdam sterk is: logistiek en dienstverlening. Niet alleen havenstad, maar ook kantorenstad.

Je komt er niet meer met alleen een diepe geul”, zegt Linhorst. De directeur van de Haven Ondernemers Vereniging SVZ, H.W.H.Welters, staat pal achter de wethouder. “Niet alleen lossen en laden, maar ookmeerwaarde creeren door activiteiten zoals assemblage- en distributie. Daarbij hoort ook zakelijke dienstverlening endaarvoor heb je een aantrekkelijke stad nodig. Want wat is een haven zonderstad”, zegt Welters retorisch.

Getuige de metamorfose van het stadsbeeld loopt Rotterdam bij de uitvoering van dat beleid hard van stapel. Maar de stad mist nog steesde aantrekkingskracht op nieuwe investeerders.

“Het is opvallend dat Rotterdam laag scoort als het gaat om vestigingen van bij voorbeeld zelfstandige Europese distributiecentra voor internationale bedrijven. Die bedrijvengebruiken Rotterdam wel als doorvoerhaven, maar ze kunnen distributieen assemblage even goed elders organiseren.

En de internationale dienstverleners blijven ook weg. Met mooie kantoren alleen redt Rotterdam het niet'', zegt drs R.

Buck, directeur van Buck Consultants International, een bureau dat gespecialiseerd is in advisering op het gebied van bedrijfsvestigingen.

In een onlangs uitgevoerd onderzoek voor ROTOR, de Ontwikkelingsraad voor de regio Rotterdam, komt het bureau vanBuck tot de conclusie dat van de 335 nieuwe Japanse en Amerikaanse ondernemingen die zich in de periode 1985 tot en met 1989 in Nederland vestigden maar 24 voor de Rotterdamse regio kozen. Buck:“En juist die vestigingen zorgen voor een toegevoegde waarde en geven een impuls aan nieuwe werkgelegenheid als gebruikers van allerlei voorzieningen.”

Maar wie trekken er dan in al die nieuwe kantoren? “Dat zijn de bedrijven die al in Rotterdam zitten. Zoals Nationale Nederlanden,Unilever, Stad Rotterdam en Robeco. De kantorenmarkt in Rotterdam isin grote mate een vervangingsmarkt”, stelt Buck.

Dus toch window dressing? Buck: “Er zit voldoende dynamiek in hetbestaande bedrijfsleven dat kennelijk via autonome groei in al dienieuwe gebouwen kan investeren. Maar het is niet duidelijk waarom de stad zo laag scoort bij het aantrekken van nieuwe vestigingen. Want daarin schuilt een gevaar voor de stad. Als die nieuwe bedrijven niet komen, degradeert Rotterdam tot doorvoerhaven.”

Ruimtelijke ordening is niet een kwestie van veel kantoren neerzettenen denken dat de rest vanzelf komt. Stedelijke kwaliteit heeft bij de plannenmakers bepaald niet altijd de hoogste prioriteit. IrG.M. Fockema Andreae van Twijnstra Gudde: “De stad moet ook aantrekkelijk zijn om te wonen.

Mensen moeten het gevoel krijgen dat ze in een grote stad zitten zonder zich verloren te voelen''.

Volgens Fockema Andreae is de stedebouwkundige ontwikkeling van Rotterdam te versnipperd. Tegelijk het centrum volplempen en plannen voor zowel de Kop van Zuid als de Noordrand ontwikkelen iste veel van het goee. “Daardoor creeer je geen schaarste, waardoor degrondprijzen bij de uitgifte van grond ook laag blijven. Gevolg:minder inkomsten voor de gemeente die daardoor weer minder aan stadsontwikkeling kan doen. Zo blijf je in een vicieuze cirkel zittenen maak je de stad nooit echt aantrekkelijk”, zegt hij.

Daarbij komt dat het particuliere bedrijfsleven niet zit tespringen om in de Kop van Zuid te investeren. “Op Zuid zit je niet”, zegt eenRotterdamse ondernemer daarover. Iets genuanceerder: medegezien de excentrische ligging van het voormalige havengebied wacht het bedrijfsleven liever af wat er van het IPNR terecht komt. De Rotterdamse Kamer van Koophandel heeft zelfs openlijk vraagtekens geplaatst bij de haalbaarheid van de plannen voor kantoren op de Wilhelminapier aan gene zijde van de Nieuwe Maas.

Het vertrouwen in burgemeester Bram Peper mag dan vorig jaar een deuk hebben gekregen, maar voorzitter mr R.P.M. de Bok van de Rotterdamse Kamer van Koophandel waakt er zorgvuldig voor dat de relatie met het gemeentebestuur niet wordt verstoord.

“Het enige signaal dat wij hebben gegeven is dat de Kop van Zuid geen alternatief mag worden voor de verdere ontwikkeling van hetcentrum. Het moet aanvullend zijn. Verder hebben wij geen probleem met de plannen voor de Kop van Zuid.”

De Gemeentelijke Sociale Dienst had twee jaar geleden veel kritiek opde nadruk die het gemeentebestuur legt op de stedelijke en economische ontwikkeling. “In de schaduw van de torens leven ook andere mensen” zei de GSD. Die kritiek heft er toe geleid dat het college van wethouders onder meer probeert deinvesteringen in nieuwe projecten ook ten goede te laten komen aan de omwonenden. DeGSD noemt daarbij de Kop van Zuid als voorbeeld. Werklozen in dedirecte omgeving van de nieuwe gebouwen zouden daar aan het werk geholpen moeten worden. Maar ook de GSD erkent dat dit zogehetengentegreerde beleid nog niet veel zoden aan de dijk heeft gezet.

“Hetprobleem zit vooral in de lage scholingsgraad van de langdurigwerklozen”, aldus de sociale dienst.

Bij dit alles blijft de stad afhankelijk van de haven, nog steeds het 'kapitaal' van Rotterdam. Als daar de bedrijvigheid afneemt,merkt het bedrijfsleven in de stad dat ook. Nieuwe investeerders hebben daar dan sowieso weinig te zoeken. Zelfs de bestaande werkgelegenheid komt in gevaar. Rotterdam moet dus de grootste haventer wereld blijven. “Wat we vijftien jaar lang niet voor mogelijk hebben gehouden, gebeurde plotseling met de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening: Rotterdam werd tot een van de speerpunten van de landelijke economie verheven”, zegt Welters. De landelijke politiek is weliswaar 'om', maar het wachten is op daden. Rotterdammaakt zich grote zorgen over goede verbindingen met het achterland.

Samen met onder meer hun collega's in Amsterdam, de SVZ en NederlandDistributieland heeft de Rotterdamse Kamer onlangs per brief bij premier Lubbers de noodklok geluid over de aanleg van deBetuwelijn, “een onmisbare schakel in de toekomstige infrastructuur”. Voorzitter De Bok van de Kamer van Koophandel: “De bereikbaarheiden de achterlandverbindingen worden grote knelpunten voor Rotterdam.Er bestaat eensgezindheid over de noodzaak van investeringen in dewater-, de rail-, de lucht- en de weg-infrastructuur. Hoe komt het dan dat de aanleg van de tweede Beneluxtunnel en de Blankenburgtunnel en de daarop aansluitende wegen twee jaar geleden verzekerd leek en nuin de modder zakt?”

Aan het begin van deze eeuw had Rotterdam met het Witte Huis hethoogste gebouw van Europa. Dat gebouw bleef 51 jaar geleden overeind. Daaronder is nu aan de Wijnhaven met cafe's, terrassen en restaurants uitgaansleven ontstaan, als levend bewijs voor 'een vitaal Rotterdam in de volgende eeuw', zoals het stadsbestuur wil.Er worden nieuwe hoge gebouwen neergezet.

Bedrijfsleven en stadsbestuur lijken weer eensgezind. Maar dat is niet genoeg, wantde noodzakelijke aantrekkingskracht op nieuwe investeerders ontbreekt nog en Rotterdam moet waken niet afgesneden te wordenvan de belangrijke Europese verkeersaders.

Het Nieuwe Rotterdam? SVZ-directeur Welters antwoordt op zijn manier: “Er gebeurt veel in Rotterdam. Maar er is een spanningsveld tussen wat Rotterdam wilen wat Rotterdam kan.

Het is een up hill fight.'' ***