PEGGY ASHCROFT 1907 - 1991; Stijlvol en integer

Peggy Ashcroft, die gisteren op 83-jarige leeftijverleed, was de grande dame van het Engelse toneel. Hoewel ze daarnaast al sinds 1933 filmrollen en -rolletjes speelde, bleef ze van mening dat de echte kunst in het theater wordt geschapen en niet voor een camera. Pas toen ze een jaar of tien geleden wegens een blessure niet meer elke avond op het toneel kon staan, nam ze vaker film- en tv-rollen aan. Daarvan zijn The Jewel in the Crown en A Passage to India het bekendst geworden. Voor die laatstol ontving ze, als 77-jarige, haar eerste (en enige) Oscar.

Als dochter van een makelaar kwam ze voor het eerst met toneel in aanraking door de teksten van Shakespeare, die op school werden gelezen. Op haar dertiende wist ze zeker, dat ze zich de rest van haar leven wilde omringen “met mooie, waarachtige woorden”. Op de toneelschool, waar Laurence Olivier een van haar mede-leerlingen was, las ze bij Stanislavski over de werkwijze van het Moskous Kunsttheater. Zijn boek bracht haar tot de levenslange overtuiging, dat toneel moet ontstaan uit een hechte onderlinge samenwerking, die alleen mogelijk is binnen de continuteit van een vast gezelschap. Alleen in zulke repetitiefases wist ze haar ingeboren onzekerheid telkens te overwinnen; voor een camera had ze naar eigen zeggen het gevoel dat alles een gok was. “Je weet toch wel zeker dat het goed is wat we doen?” vroeg ze tijdens de opnamen van A age to India voortdurend aan regisseur David Lean.

In de jaren dertig was Peggy Ashcroft verbonden aan het gezelschap van haar generatiegenoot John Gielgud, in de jaren vijftig was ze bij de Shakespeare Memorial Theatre Company in Stratford de belangrijkste actrice. In 1954 verscheen ze met Anthony and Cleopatra in het Holland Festival en een jaar later met Hedda Gabler. In de Nederlandse kritieken klonk toen vooral bewondering op voor de “vrouwelijke onberekenbaarheid” die ze in beide rolluitstraalde. Het grote gebaar en de loze pathetiek waren haar vreemd, ze streefde naar de uiterste versobering waardoor het weinige dat overbleef extra betekenis kreeg. De paradox van haar carriere is, dat ze daardoor bij uitstek geschikt was voor film en televisie, de media die niet haar grootste liefde hadden.

John Gielgud noemde haar een unactressy actress, voor en achter de schermen. Ze had, met andere woorden, een hekel aan interviews, kleedkamerroddels en sterrenadding. Ze maakte zelden gebruik van de titel dame, die ze al op haar 49e kreeg.

Voor zover ze ooit zonder de bescherming van een rol naar buiten trad, was het om haar bekendheid in dienst te stellen van acties tegen kernbewapening, voor de mensenrechten en tegen bezuinigingen op kunstsubsidies. “Achter dat gracieuze middleclass-uiterlijk zit een fel radicalisme,” schreef de criticus Michael Billington in zijn Ashcroft-biografie.

Haar werk stond in het teken van stijlvolle eenvoud en volstrekte integriteiaar kwam, op hogere leeftijd, een subtiel gevoel voor humor bij, dat af en toe sardonisch oplichtte in haar ogen. Ze liet zich niet in de hoek van de weerloze oude dametjes drukken, er was altijd iets in haar blik dat duidde op onverzettelijkheid en een zweem van gevaar. Gelukkig is daar de laatste jaren toch nog heel wat van op film en video vastgelegd.