Oostzeebadplaats Sellin moet wennen aan de nieuwe tijd; Stasi-families hadden geen behoefte aan andere badgasten; Leger DDR gebruikte slot van Putbus als schietschijf

SELLIN, 15 JUNI. De zon breekt even door en verleent het groen van de wouden glans, doet het strand en de krijtrotsen blinken in de zon. Rugen, het grootste eiland van Duitsland, doet zijn bijnaam 'Capri van het noorden' eer aan en lijkt zo weggelopen uit een romantische kopergravure.

Er is alleen bijna niemand om te genieten van al dit natuurschoon, constateert droevig de dame van de wafeltent op het strand van Sellin. Vorig jaar werkte ze nog als boekhoudster bij een van de vele vakantieverblijven van de DDR-vakcentrale FDGB op het eiland. De FDGB is inmiddels opgeheven, en niet langer lijkt het hart van de Oostduitse werknemer sneller te kloppen bij het vooruitzicht van een reis naar Rugen. Vakantiereizen worden in Oost-Duitsland niet langer als gunst door de vakbond verstrekt, maar gewoon verkocht. Na zoveel jaren opgeslotenheid in eigen land, met af en toe een uitstapje naar de 'socialistische landen', gaat wie geld heeft nu naar Mallorca, of een andere vroeger onbereikbaar oord.

In de vakantieverblijven, veelal eentonige blokkendozen van betonplaten, pogen pachters nu toeristen te lokken: kamer met volledig pension twee tientjes. Hetzelfde doen de pachters van de talrijke, wat aantrekkelijker ogende vakantiehuizen die vroeger aan de geheime dienst, de Stasi, en het ministerie van binnenlandse zaken toebehoorden. Slechts wat Oostduitse pensioengerechtigden lijken op het aanbod ingegaan. De Westduitse toeristen, die vroeger de toegang tot Rugen, als zijnde een strategisch-gevoelig grensgebied, schier onmogelijk gemaakt werd, en van wie men op Rugen veel verwacht, laten het massaal afweten.

“U had hier een jaar geleden moeten komen”, zegt de dame van de wafelkraam. “Toen lagen ze hier nog handdoek aan handdoek, van mei tot in oktober”. Vorig jaar werden voor het laatst de waardebonnen voor vakantiereizen verstrekt, die voor gegarandeerde drukte zorgden. Met het ontslag, begin dit jaar, van de werkers in het socialistische vakantiewezen is de werkeloosheid in Sellin en andere plaatsjes op Rugen meteen tot meer dan zestig procent van de beroepsbevolking gestegen.

“Nou ja, het weer heeft tot nu toe ook niet meegewerkt, misschien wordt het beter”, meent ze. Haar gloednieuwe popcorn-machine laat vrolijke plofjes horen.

In 'Hotel Cliff' heeft men inmiddels over Westduitse aanloop geen klagen. “We zijn vol”, laat de receptioniste weten.

Voor de deur staan bijna louter Mercedessen. Bij nader inzien blijkt de afwijzing van de onverwachte gast vooral een oude reflex bij de receptioniste. Een blik op een computerscherm leert haar collega, dat er nog wel degelijk kamers vrij zijn.

Hotel Cliff, 320 bedden groot en gelegen op een heuveltop met adembenemend uitzicht op zee en wijde omtrek, onderscheidt zich duidelijk van de schrale vakantiehuizen in de omtrek. Zo heeft de gast, voor een kamerprijs waarmee elders ter wereld de plaatselijke Hilton kan worden betrokken, de beschikking over minibar, satelliettelevisie en een nachtclub met dames van lichte zeden. Tegelijkertijd is de ambiance niet vrij van typische Oosteuropese trekjes. In de badkamer hangt een uitvoerig reglement over de omgang met de badhanddoeken: op de grond betekent dat de gast nieuwe wil, opgehangen betekent dat-ie er nog een dagje mee doet. “Bent u, lieve hotelgast, zich wel bewust hoeveel hotelhanddoeken er elke dag in de wereld onnodig worden gewassen, en welke gevolgen dat heeft voor het milieu?”, begint deze leerzame tekst.

Behalve zwembad en kegelbaan is Hotel Cliff ook een van de geur van kool en oud-belegen vis doortrokken restaurant rijk.

Deobers leggen er, zelfs voor hedendaags-Oostduitse begrippen, een opvallende kruiperigheid aan de dag, alsof zij vrezen ieder moment door de gast geslagen te zullen worden. Wellicht is deze houding nog een overblijfsel van de oorspronkelijke bestemming van Hotel Cliff, van 1978 tot eind 1989 vakantiehuis van het Centraal Comite van de regerende Oostduitse communistische partij, de SED. Waar eens partijbonzen uit binnen- en buitenland verwijlden, net nu menig Westduits zakenman even vrij van zijn beslommeringen in Oost-Duitsland. Alleen het hotelstrand heeft zijn exclusiviteit verloren, sinds vorig jaar de manshoge schuttingen werden verwijderd. Het wachthuisje van de Stasi aan de oprit naar het hotel is nu een snoepwinkeltje.

Wat verderop, in het dorp Sellin, heeft de Wilhelm Pieck-straat, zijn oude naam Wilhelm-straat weer terug. De gemeenteraad van Sellin heeft deze statige toegangsweg tot het strand tot beschermd stadsgezicht verklaard, vertelt Gerhard Parcw, lid van de bouwcommissie. Voor veel van de in tussen 1900 en 1912 in typische Oostzee-stijl opgetrokken villa's komt de maatregel te laat: hun houten serres en varanda's met sierlijk houtsnijwerk zijn door hardnekkig gebrek aan onderhoud al half ingestort of eenvoudig afgebroken. Ze werden begin jaren vijftig, tegelijk met de meeste landbouwgrond op Rugen, onteigend - waarbij in een aantal gevallen de eigenaar als 'uitbuiter' veroordeeld werd of zelfs in boetprocessie ht plaatsje rondgeleid. Sommigen vroegere eigenaren, of hun veelal Westduitse erven, hebben in april en mei van dit jaar hun bezit teruggekregen, als ze tenminste investeringsplannen konden voorleggen.

“Het gaat allemaal zo langzaam, daarom is het hier ook zo stil”, menen de houders van strandtenten, die tonnen hebben genvesteerd in hun onderneming. Hoofdschuldige aan de rust is voor hen de 'Treuhand', de trust die de vroegere staatsbedrijven van de DDR priviseert, en ook de villa's en vakantieverblijven tot voor kort onder zich hield. “Waarom heeft de Treuhand nu pas de zaak overgedragen aan de gemeente?”, vraagt men zich af. “In der haast konden de meeste huizen en vakantieverblijven nog verpachten, maar de tijd ontbrak om het zomerseizoen nog zorgvuldig voor te bereiden. De gast moet nog in de oude bedden slapen, en de gevels zijn nog verveloos”.

Als er al investeerders van buiten naar Sellin komen, dan vaak met projecten die de laatste rsten natuurschoon de das dreigen om te doen, vertelt het lid van de bouwcommissie. Op het eiland vindt men dat er door het SED-regime wel voldoende is verwoest: de na de landhervorming afgebroken dorpen, de omgeving van twee kolengestookte elektriciteitcentrales, de gekapte bossen, de met sintels volgestorte moerassen, het eerst door het Oostduitse leger als schietschijf gebruikte en later afgebroken slot in Putbus. Aan een hotel met tweeduizend bedden annex jachthaven voelt men in Sellin geenbehoefte.

De gemeenteraad is ook huiverig voor dagjesmensen, vanwege de milieuschade die door massaal autotoerisme zou kunnen ontstaan. In zijn stoutste dromen ziet men de houten wandelpier van vijfhonderd meter uit 1926 herbouwd, waarvan het decoratieve paviljoen in 1978 zonder pardon is afgebroken.

“Die Stasi-families die hier op het strand zaten, waren het liefste onder elkaar en hadden geen behoefte aan attracties die andere mensen aanlokten”, vertet de houder van een strandtent. “Als de generaal zijn strandstoel meedraaide in de richting van de zon, deden de anderen dat ook, regimentsgewijs”, grapt hij.

In bijna elke strandtent hangen reproducties van foto's uit het begin van de eeuw. Sellin was toen net voor de buitenwereld ontsloten door een nog steeds bestaande smalspoorlijn. Het boerendorpje bloeide op als een sierlijke badplaats voor de burgerij, waar een warmwater-zeebad tot de vazelfsprekende voorzieningen behoorde. De drukte in 1900 vormt een schrijnend contrast met de gapende leegte van nu.

Ook toen al, zo blijkt trouwens uit de foto's, bakenden Duitse toeristen op zandstranden een eigen territorium af met de wallen en kuilen, die thans in Zandvoort zoveel ergernis opwekken.