Natie 40: Pronk, Poncke & De Telegraaf

Er is een rel gaande! Schrijvers van ingezonden stukken tonen zich 'verbolgen', 'gekwetst', 'gegriefd' en keren zich vol 'verontwaardiging', 'verbijstering', 'ergernis' en 'afgrijzen' tegen de minister die 'notabene mede-Nederlanders in het gezicht spuugt', 'op grove wijze op de ziel trapt' en die 'ons, oud-Indiemilitairen alweer een klap in het gezicht' verkoopt. ''Hoe lang'', vraagt een lezer uit Duiven zich af, ''zullen dergelijke lieden nog in de gelegenheid worden gesteld het land te blijven beschadigen en medeburgers te beledigen?'' Een drager van de Militaire Wilemsorde spreekt van een 'grof schandaal', de bond van veteranen blijkt 'razend' en dreigt met een aanklacht tegen de bewindsman bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. En de stoere oud-Indieganger Henk Ulrici, voormalig badmeester van het golfslagbad De Branding te Doorwerth, dreigt 'de lafaard', 'de schoft', 'de landverrader', 'de moordenaar', 'de machtswellusteling' om wie het allemaal begonnen is alsnog 'te grazen te nemen', mocht deze zich ooit weer in Nederland vertonen: ''Hij wordt geheid opgewacht. Daarvoor is al een speciaal groepje geformeerd.''

Het interessante van de rel 'Pronk & Princen' is dat er lui zijn die van geen rel weten. Je moet er al De Telegraaf voor lezen om op de hoogte te zijn. Daarmee lijkt de zaak in de verte op de grootscheepse campagnes, die dit dagblad in de jaren vijftig en zestig voerde. Ook de affaires van majoor K.

en het echtpaar Meulenbelt bloeiden in reincultuur in 'onze bladen', totdat ze politieke repercussies kregen en tot de buitenwacht doordrongen. Maar op dat moment was de Telegraaflezer al tot de tanden gewapend met munitie hem geleverd door paginagrote reportages en bitse hoofdartikelen, die weer resoneerden in de rubrieken van Pasquino en Jacques Gans en in een cavalcade van ingezonden stukken. Daarbij vergeleken is de huidige rel maar een bleke afspiegeling.

Misschien zijn er te weinig abonnees voor wie de demonische gestalte van de deserteur Poncke Princen nog levende realiteit is.

Voor de jongere lezer: Jan Princen, naar een toendertijd bekende romanpastoor bijgenaamd Poncke, onttrok zich als militair aan de politionele acties door naar Frankrijk te drossen. Een jaar later werd hij bij terugkeer in het vaderland aan de grens ingerekend en alsnog op transport gesteld naar Nederlands-Indie. Daar stond hij terecht voor zijn desertie, bij welke gelegenheid hij het opnam voor de Indonesische onafhankelijkheid. Na zijn vrijlating kreeg hij, vanwege zijn vloeiende beheersing van het Bahasa, dienstorders als ordonnans naar de kampongs, waar hij kennis maakte met jonge nationalisten. Vervolgens is hij opnieuw gedeserteerd, en heeft zich aangesloten bij de rebellen. En hier begint de grote woede van de Hollanders die hem haten. In schrille beelden schetsen ze nu nog hoe Princen 'zijn oude makkers op de meest smerige wijze heeft afgeslacht' door ze 'in zijn Nederlandse uniform en met zijn stengun om de schouder in hinderlagen te lokken', waarna de TNI-soldaten 'het vuur op hen openden'. Mag een lid van de Nederlandse regering een dergelijk verachtelijk sujet de hand drukken en daarmee 'eerherstel' bieden? ''Minister, wees een kerel van stavast en biedt de tienduizenden oud-strijders en de weduwen van onze vermoorde kameraden uw excuses aan!''

Het doet er in zo'n stemming eigenlijk niet meer toe dat de precieze rol van Princen in de Indonesische guerrillastrijd nooit is opgehelderd. Het ontbreekt aan ooggetuigen, zijn dagboek dat Ulrici zegt te hebben gevonden (en waarin Poncke zich zou ontpoppen als 'volbloed communist') is spoorloos verdwenen en de omstreden hoofdpersoon zelf doet er wat de details betreft het zwijgen toe, hoewel hij overigens spraakzaam genoeg is. Toen ik hem in Jakarta voor het eerst ontmoette, trof hij mij als de echte Hollander in Indonesie: te groot, te log, te wit en hevig zwetend; daar geworteld en toch niet echt thuis. Een halfzijdige verlamming maakt zijn gang moeizaam. Hij is Indonesier geworden en islamiet, Hadji Poncke, maar wijst elk 'confectie-geloof' van de hand en mag dan ook graag bier en jenever drinken. Hij was toen belast met de verdediging van radicale moslims die ervan werden beschuldigd dat ze in een moskee te Tandjong Priok opruiende redevoeringen hadden gehouden en hij zat daarmee in zijn maag, want als die lui het ooit voor het zeggen kregen was er van vrijheid van meningsuiting natuurlijk helemaal geen sprake meer. Dit gewetensconflict nam mij voor hem in.

Hij ontving mij in een schamel kantoortje in het vroegere Meester Cornelis, waar hij naast allerlei andere juridische klusjes zijn werkzaamheden verricht als - de aanhalingstekens zijn van De Telegraaf - 'mensenrechten- en vakbondsactivist'; een specialisme dat hem zowel onder Soekarno als onder Soeharto vele malen en in totaal een jaar of acht in de cel deed zuchten. Minister Pronk, die bij zijn beleid van ontwikkelingssamenwerking met Indonesie onder druk staat van actiegroepen op het stuk van de gebrekkige mensenrechten in dat land, ging in dat kader vorig jaar eens bij Princen op visite. Toen werd daar al tegen geprotesteerd, maar nu hij in mei 'de oorlogsmisdadiger' opnieuw bezocht is de boot helemaal aan. Vooral ook omdat de minister tegenover De Telegraaf verklaard heeft: ''Voor mij speelt het verleden geen enkele rol. Dus de houding van Princen tijdens de politionele acties doet er nu niet meer toe.'' Het verleden geen rol? ''Zou Pronk hetzelfde zeggen wanneer hij de hand zou hebben gedrukt van een Nederlandse landverrader die tijdens de oorlog Nederlandse verzetsstrijders de dood had ingejaagd?'' vroeg een lezer zich af. Het is een interessante vergelijking, omdat ze rechtstreeks voert naar het hart van de kwestie waarin het sleutelwoord luidt: erkenning. ''Poncke Princen wordt geeerd'', zegt de 75-jarige luitenantkolonel b.d. Vary Spier, ''terwijl wij nooit erkenning hebben gehad.'' En een andere veteraan: ''Wij Indieveteranen worden sinds 1949 beledigd en door het slijk gehaald, terwijl we alleen maar onze plicht deden.''

Dat is het 'm. Er is toen onder auspicien van de regering een grootscheepse oorlog gevoerd die achteraf door de natie als een uitzichtloos koloniaal avontuur is veroordeeld; en de deelnemers eraan voelen zich veronachtzaamd en in de kou gezet. Poncke Princen is het gehate symbool van die nederlaag, de man die zich niet ontzag om ons ook nog de dolkstoot in de rug toe te brengen. Het is niet genoeg dat hij in de gevechten zijn Indonesische vrouw verloor (door een schot dat Ulrici claimt te hebben gelost), noch dat hij bij verstek 'tot de strop' werd veroordeeld. Het gaat er om, dat elke officiele handreiking aan 'de landverrader' het echec bezegelt en afbreuk doet aan de 'erkenning', waarnaar menigeen met oorlogservaringen haakt. Er is weer sprake van mensen die 'huilen' en 'niet kunnen slapen' en de tragiek is dat nooit voorzien zal kunnen worden in hun behoefte aan erkenning, ook niet doordat Pronk de veteranen zijn gestes dezer dagen uit komt leggen. Het verleden blijft spoken.