Memoires (13)

Vannacht schrok ik plotseling wakker. Ik wilde opstaan, in de overtuiging dat het ochtend was, maar mijn wekker gaf 4:45 aan.

De afgelopen weken had ik vellen vol herinneringen geschreven, dacht ik terwijl ik het bedlampje aanknipte en weer op mijn rug ging liggen, maar ik leek verder van huis dan ooit. Ik wist nog altijd niet wie ik was. Integendeel, ik raakte mezelf steeds meer kwijt, leek het wel. Starend naar het plafond van mijn slaapkamer kwam het me voor alsof de geschiedenis met mij op de loop was gegaan, in plaats van andersom.

Hoe kan dat, vroeg ik mezelf Je bent eenendertig en je hebt nog altijd het gevoel alsof het leven niet echt begonnen is.

Je hebt een huis, maar je voelt je altijd pas echt thuis in de interieurs van anderen. Je lievelingsmuziek vind je pas mooi wanneer je die bij iemand anders hoort. Je weet wie je bent, je weet wie anderen bedoelen wanneer ze je naam laten vallen, maar alles wat je doet, wordt door een ander gedaan - zo lijkt het tenminste. Wat vooraf ging is een langgerekt proefspel geweest, een eindeloze reeks repetities voor een premiere die nog altijd niet heeft plaatsgevonden.

Ik gaapte. Het schrijven van memoires kwam me plotseling als een zinloze onderneming voor. Als het waar was wat ik dacht, dan zou ik pas het gevoel krijgen dat ik werkelijk iemand was, wanneer iemand anders een boek over mij schreef, wanneer ik een Gertrud Stein vond die mijn autobiografie voor mij zou schrijven. Het had geen zin mezelf te verliezen in mijn herinneringen.

Maar zo gaat dat: op het moment dat ik met diedachten speelde, keerde ik in mijn hoofd onwillekeurig terug naar vroeger. Net toen ik besloot mijn geheugen aan banden te leggen, werd ik opnieuw overspoeld door beelden uit mijn verleden. En hoewel ik inwendig protesteerde tegen dit nieuwe offensief van gedachten en associaties, fluisterde een andere stem in mij dat ik me niet moest verzetten.

Ik stond aan een Amsterdamse gracht. Het was hetzelfde graH)we zomerweer als nu: een harde wind en een zon die telkens weer achter massieve, grijs-witte wolken werd gedrongen. Ik staarde in het bruin-groene water en wist niet wat ik moest doen; ik was 21 jaar oud en had het gevoel dat alles aan mij voorbij ging, dat het leven zelf me steeds weer ontglipte.

Het was juli 1929. Ik studeerde Engels en ik kwam die middag van een hoorcollege over Hamlet: ik droeg het toneelstuk onder mijn arm. Het was mijn plan om het te lezen in het Vondelpark, maar het was te koud om in het gras te liggen. had geen zin om naar mijn bedompte kamer op de Bilderdijkkade te gaan en geen geld om een hele middag in een cafe te gaan zitten. Al mijn vrienden waren de stad uit, op vakantie, of naar hun ouders in de provincie. In een opwelling besloot ik een grachtenrondvaart te maken; hoewel ik al drie jaar in Amsterdam woonde, had ik de stad nog nooit vanaf het water gezien.

Mijn besluit vrolijkte me een beetje op. Ik kocht een kaartje aan een steiger bij het Leidsebosje en wachtte temidden van eenine groep toeristen op de rondvaartboot. Afgezien van een bejaard echtpaar uit Groningen, was ik de enige Nederlander.

De geheime wetenschap dat ik de vreemde eend in de bijt was, dat ik helemaal niet bij deze mensen hoorde, bezorgde me een vreemd gevoel van opluchting; ik was aangenaam anoniem.

De twee mannen vielen me vrijwel direct op. Het waren Engelsen, ouder dan ik, maar niet echt oud - dat wil zeggen, boven de dertig. Hun lelijke, dikke overjassen hingen open en daaronder zag ibruine, slechtzittende pakken; een van hen droeg een absurd brede stropdas met witte stippen. Vreemd genoeg benadrukte hun oude-mannen-kleren hun jeugd; ze hadden iets giecheligs, iets schooljongensachtigs over zich. Met korte tussenpozen stootte de een de ander aan, zei een onverstaanbaar woord en schoten ze allebei in een quasi-beschaamde lach.

Ik werd gentrigeerd door het tweetal; ze waren Engels en een van hen vond ik aantrekklijk. Hij had een breed gezicht, kleine oren en een opvallend grote neus. De wind blies een grotk haar heen en weer over zijn voorhoofd. Hij was het mooist als hij lachte; dan leken zijn hoekige gelaatstrekken plotseling de juiste proporties te krijgen.

Zo knap als de ene Engelsman was, zo lelijk was de andere. Het eerste dat aan zijn onverzorgde, gummi-achtige gezicht opviel waren twee absurde flaporen. Op zijn linkerwang zag ik een grote pukkel of wrat. Ook hij droeg een grote haarlok op zijn voorhoofd, maet asblonde haar zag er ongezond uit, alsof het ieder moment van zijn hoofd kon waaien.

Ik zorgde dat ik achter hen kwam te zitten in de boot. Hamlet hield ik zorgvuldig in mijn jasje verborgen, zodat ze niet zouden zien dat ik Engels sprak. Hun uitgelaten stemming duurde de hele rondvaart; ze zaten met hun schouders tegen elkaar aan, luisterden niet naar de stem van de gids, keken nauwelijks naar de grachtenhuizen, en barstten steeds weer los in een hoog gegiechel. Af en toe ving ik boven het geluid van de motoren eaar woorden op, maar ik begreep er niets van. Het leek alsof ze een geheimtaal spraken, vol namen en dingen die ik niet kende.

Ik was jaloers. Ook ik keek niet naar de huizen aan weerskanten van de boot; ik kon mijn ogen niet afhouden van de twee geschoren jongensnekken voor mij. Ik wilde deel uitmaken van die vriendschap. Toen de boot na een klein uur weer aanlegde bij het vertrekpunt, schoten ze plotseling overeind en liepen als eerste de boot uit. Ik zag dat ze iets in het gastenboek schreven, waarna ze opnieuw in lachen uitbarsten.

Ik wilde hen direct achterna gaan, maar raakte vast in de stroom schuifelende toeristen. Toen het eindelijk mijn beurt was om iets in het boek te schrijven, vielen mijn ogen direct op het Engelse schooljongenshandschrift: “Read about us and marvel! You did not live in our time - be sorry!” Hun namen - Isherwood, Auden - zeiden me op dat moment niets. Maar hun boodschap kon ik niet negeren. Ik besloot hen te volgen.